Plaatsen van ontucht en verderf

Omdat mijn ouders geloofden dat de slang in het paradijs had gesproken, mocht ik niet naar de bioscoop, een nederzetting van de duivel. De duivel had vele nederzettingen in IJmuiden, mijn roerige geboortedorp, met zijn talloze kroegen waaruit ik, in de jaren twintig, varensgezellen uit alle windstreken naar buiten zag tuimelen, vloekend en tierend of luidkeels zingend in vreemde talen, zij het niet, gelijk de apostelen, getooid met 'verdeelde tongen als vuur'. Ik denk dat in die eerste gehorige indrukken, gevoegd bij mijn leergierigheid, een van de redenen schuilt waarom ik al vroeg uitheemse talen wilde leren en het woordenboek mijn tweede bijbel werd.

Op zondag mocht ik al evenmin naar de voetbalwedstrijden van Stormvogels. Door mijn vriendjes, wier ouders een lichtzinniger geloof aanhingen dan de mijne, kende ik wel de namen van alle spelers met inbegrip van hun opstelling in het elftal. J. Blinkhof ('Witte Jan'), de middenvoor en fameuze goalgetter van de club, die (ondoorgrondelijk raadsel) gewoon in de vishal werkte, zag ik wel eens op doordeweekse middagen trots, misschien ook een beetje stram van de laatste wedstrijd, over de Wilhelminakade schrijden, als de ongekroonde koning van het edele volksvermaak. Ik droomde van zijn razende schuivers die mijn vriendjes voor mij beschreven en die wij probeerden na te spelen, aan de voet van de duinen, in het rulle zand van ons eigen weerbarstige veldje.

Ik zwijg nu maar over danslokalen, turnclubs en andere plaatsen van ontucht en verderf die voor mij verboden waren. In mijn doen en laten, mijn gaan en staan moest ik mij beperken tot de 'gemeenschap der heiligen', die mij met haar voorschriften en ontzeggingen in een calvinistisch getto sloten, een godvruchtig reservaat dat zich niet tot een buurt, een wijk bepaalde, maar door het hele dorp lag uitgezaaid in een even knallende als beschamende diaspora.

In IJmuiden bevond zich omstreeks 1920, in die legendarische jaren van mijn jeugd, geen echte bioscoop. Wel werden er op zaterdag en zondag films vertoond in café Cycloop, in een zaal op de eerste verdieping. Mijn vriendjes vertelden mij ervan, al even opgewonden als wanneer zij het over de wedstrijden van Stormvogels hadden. Ik voelde mij buitengesloten, kameraadschappelijk gediscrimineerd bij hun verhalen over de heldendaden van Tom Mix en zijn paard Tony. Soms deden zij Chaplin na in de grote overdekte poort, halverwege de straat, waar wij voor de regen schuilden. Heupwiegend en met verdraaide voeten streden zij om de eer hem het treffendst te imiteren, in een gebarentaal die voor mij al even raadselachtig en betoverend was als die van de matrozen. Ik stond er bij alsof ik geen verleden had. God, wat heb ik mijn vriendjes benijd en wat was ik ongelukkig zonder dat ik het kon laten blijken. Ik had het kindeke Jezus, waar ik nu juist weer alles van wist, graag voor Jacky Coogan willen ruilen. In Cycloop werden de rolprenten op de piano begeleid, in de nadagen van de stomme film zelfs nog door de vader van Vera Beths, als ik mij goed herinner. Het café was een van Amerika afgekeken saloon met metalen brandtrappen langs de voorgevel, zodat de filmgangers snel zouden kunnen vluchten wanneer het straffende hemelvuur dwars door het dak op hun zondige verstrooiing zou neerdalen.

Toen ik een jaar of twaalf was, kwam er ook in ons dorp een echt filmpaleis, vlakbij het Willemsplein waar op zomeravonden, in de geruisloos vallende schemer, concerten werden gegeven door het fanfare-orkest van meneer Flessing, die in de Kanaalstraat een muziekschool had, een oudere joodse artiest met leeuwemanen, weidse gebaren en een flambard. Wanneer ik bij mijzelf naar binnen luister hoor ik de gevoelvolle klanken van Dichter und Bauer, van Franz von Suppé, die mij de eerste kunstzinnige rillingen over mijn rug bezorgden, rillingen waar ik toen ook al niet met mijn verstand bij kon.

De echte bioscoop heette Thalia (Thália, zeiden de dorpelingen), naar de godin van het blijspel. Op woensdag- en zaterdagmiddagen, wanneer komische films voor de jeugd werden vertoond, werd er heel wat afgelachen. Maar ook die feestelijke uitspattingen gingen ongezien aan mij voorbij. Mijn cinematografische jeugd bestond uit een uit de zondeval afgeleide onthouding. Ik kan mijn kinderjaren afmeten aan de films die mijn vriendjes hebben gezien, een vorm van begoocheling die mijn verbeelding prikkelt, zonder haar te bevredigen. Al in mijn vroegste jeugd heb ik mij in het hunkeren en afzien geoefend. Met Stan Laurel en Oliver Hardy, de huiskomieken van de VPRO, maakte ik pas kennis toen ik al hoog en breed tot de jaren des onderscheids was gekomen.

Pas toen ik zestien was en van mijn vader een fiets had gekregen, waagde ik mij in een bioscoop, zonder gevaar te lopen door een surveillerende ouderling te worden betrapt. Ik fietste ervoor naar Haarlem, naar het Rembrandt Theater op de Grote Markt, onder het toeziend oog van Laurens Janszoon Coster. Als bioscoopbezoeker was ik een forens, de zonde dreef mij in de heimelijkheid. In Haarlem kreeg de hunkering een gezicht, het verlangen een gestalte. Ik zag er de eerste sprekende film, Mammy, met Al Jolson in de hoofdrol. Jolson, van joodse afkomst, meen ik, had zich als neger geschminkt, omdat echte negers in 1930 nog lang niet in een film mochten optreden, behalve als dienstpersoneel. Jolson zag er larmoyant en belachelijk uit, een Zwarte Piet die de grootste smartlap van de toenmalige wereld zong: Climb upon my knee, Sonny Boy! - You are only three, Sonny Boy! - Maar wie was dat jongetje dat op zijn knie klom? (En als ik het goed heb geen moeder meer had, nog altijd de geldigste reden om te huilen?)