Op pelgrimstocht naar Santiago de Compostela; Heerlijk van het asfalt af- dwalen

Het mooie weer en de aantrekkelijke heuvels die aan weerszijden van de weg lagen misten hun uitwerking niet. Met beloften van vergezichten en geurende kruiden lokte ik Hade het struikgewas in. De zon ging nog lang niet onder, en hoe rustig het weggetje ook was, het leek veel aardiger het bergpad te pakken dat we volgens de reisbeschrijving in het vorige dorp voorbij waren gelopen. Welgemoed begonnen we tussen de brem omhoog te klimmen, geleid door een paadje dat ons volgens mijn schatting in twintig minuten op de route moest brengen. Naar de keutels te oordelen een geitepad. Boven ons geploeter dreef een grote roofvogel, maar ik vergaf hem zijn luie leventje, want wij zouden straks aan tafel de andere pelgrims, die gewoon langs de weg waren gegaan, de ogen uitsteken met stoere verhalen.

Na een half uur stopten we om water te drinken onder een paar tammme kastanjebomen. Gewoontegetrouw peuterde ik een kastanje open, en stak hem in mijn mond. De bittere brokken smaakten niet in de warmte. Ik was verbaasd dat we nog steeds geen duidelijk pad hadden, en besloot nu parallel aan de weg verder te trekken. Uit de gids maakte ik op dat het pad over niet al te lange tijd naar de weg terug boog. Nu hoefden we niet meer constant te klimmen, maar het lopen werd er niet gemakkelijker op. We klauterden door twee valleitjes, die tot de rand gevuld waren met kleverige zonneroosjes, die wel heerlijk geurden, maar de voortgang ernstig belemmerden. Ik begon me nu ongerust te maken. De stilte die eerst zo bekoorlijk was werkte nu op mijn zenuwen, en ik verlangde naar een teken van menselijke bedrijvigheid. Opgelucht zag ik in de derde vallei een huis liggen, een schaapskooi misschien. Een pad leidde er naar toe. Maar bij nadere beschouwing bleek het bouwsel vervallen, en het pad zette zich niet in de gewenste richting voort.

Een bittere tegenslag, we waren allebei erg moe van zes uur lopen, en de zon neigde nu wel degelijk ter kimme. Een lichte dreiging klonk in haar toon toen Hade vroeg wat ik nu nog van plan was. Ik bedwong mijn angst - in de provinciale hoofdstad was erg geadverteerd met wolven in de bergen van León -, en besloot in arren moede het pad dat naar de ruïne voerde in omgekeerde richting af te gaan. Dát moest toch ergens aansluiten op de door de gids aanbevolen route. En dat deed het, na een kwartier verkeerde het pad in een breed karrespoor dat in alle opzichten aan de beschrijving voldeed. Kennelijk was het onderhoud aan het deel na de bouwval gestaakt. De vreugde over het vooruitzicht die avond niet door de heuvels te hoeven dwalen werd getemperd door een knagende ergernis over verouderde gidsen, onverschillige herders, teugelloze plantengroei, en mijn slordig improviseren.

Toen we een klein uur later het asfalt weer opstrompelden, verschenen net om de hoek van de weg twee fietsers. Gewoon in witte shorts, niks geen aerodynamische broeken of hoofddeksels, doodgewone bandjes rond het wiel, en voor ik het wist had ik er 'goeiemiddag' uitgeflapt. Het gepensioneerde echtpaar was uit Waalwijk komen fietsen, en ze deden de tocht al voor de derde keer, 'want je raakt er een beetje aan verslaafd'. Op hun vriendelijk vragen over onze toestand mompelde ik iets over een foute afslag, en voegde er schijnheilig aan toe dat het de ware pelgrim om de weg en niet om het doel gaat.