Ontwikkelingshulp negeert zuidelijke realiteit; Noordelijke ontwikkelingshulp negeert zuidelijke realiteit

“Hulp moet resultaten belonen, niet beloften”, schrijft J.W. Gunning over ontwikkelingssamenwerking (NRC Handelsblad, 25 oktober). Hij zoekt een uitweg tussen het verkrampt verdedigen van gevestigde posities en de drang om alle ontwikkelingshulp af te schaffen. Hij stelt voor alleen geld te geven aan zuidelijke overheden die goed scoren. De criteria zijn in het Noorden vastgesteld en betreffen inkomen, alfabetisering, gezondheid en mensenrechten. Het zou de noordelijke bemoeienis terugdringen, verantwoordelijkheid van zuidelijke regeringen versterken en financiering effectiever maken. Het plan lijkt constructief maar ik zie, los van complicaties bij de uitvoering die Gunning ook wel overweegt, twee grote problemen.

Ten eerste mist het plan de maatregelen die tot succes voeren in de verhitte strijd die het ontwikkelingsestablishment zal aangaan. Die gevestigde orde bestaat uit een netwerk van banken, regeringen, bouwbedrijven en leveranciers. Dit establishment trekt zich weinig aan van kritiek op de effectiviteit die publiekelijk in de donorlanden geuit wordt. De effectiviteit van de hulp is eerder gelegen in het maken van particuliere winsten dan in het voldoen aan openbare eisen. De voortzetting van deze effectiviteitsparadox wijst op grote macht. Het plan van Gunning opent de aanval op deze macht, maar doet dat zonder eigen strijdmiddelen.

Ten tweede stemt het plan van Gunning sterk overeen met de gevestigde orde door als een kat om de hete brij van zuidelijke realiteit heen te draaien. Die ontwijking hangt samen met de benadering van bovenaf, zoals het ontwikkelingsjargon zegt. Het gaat om denken vanuit een machtspositie, die beperkte of fouten inschattingen van de werkelijkheid toestaat. Zolang de macht groter is dan het verlies door onjuiste inschatting kan hij voortbestaan.

De benadering van bovenaf is in extreme zin te vinden bij de vertegenwoordiger van een bouwbedrijf die in gesprek raakte met de mensen uit de doelgroep van zijn project. De ingenieur deed zijn best om te luisteren, maar verloor tenslotte zijn geduld en riep daadkrachtig uit: “Alles goed en wel, maar nou verder geen gezeur. Beton storten”.

Zijn denktrant duidt meer op macht dan op effectieve hulp en, toegegeven, Gunning zou daar geen geld voor betalen. Dat komt pas als het bedrijf zich aanpast en bijdraagt aan een goede score in een land. Maar hoe weet Gunning wat een goede score is? Door het Noorden de criteria te laten aangeven? Wellicht meent hij dat noordelijke normen een universele geldigheid bezitten. Of dat zo vanzelfsprekend is kan alleen blijken uit opiniepeilingen onder doelgroepen in het Zuiden. Misschien vinden zij het mechanistische meten van individuele scores wel wat wezensvreemd en hechten ze meer aan sociaal-collectief leven. Misschien haken zij naar andere mensenrechten dan wat noordelijk getrainde academici in de VN formuleren. Gunning maakt het onmogelijk om zulke voorkeuren te achterhalen door directe bemoeienis te blokkeren. Dat draagt niet bij aan effectieve hulp.

Het denken van bovenaf zit ook in het ontwijken van zuidelijke realiteiten die moderne beleidsmakers als obstakels ervaren. Gunnings plan wil de regering belonen die een goede koers voor het volk uitzet en hinderlijke maatschappijstructuren uit de weg ruimt. In de praktijk loopt veel beleid juist stuk op de taaiheid van zulke gedragspatronen en organistievormen, van instituties zoals economen zeggen. Bij mislukking spreken zij van falende instituties. Natuurlijk faalt niet de werkelijkheid maar het analysekader. Dat is wellicht te veel op noordelijke leest geschoeid.

Een analyse die evenwichtig ruimte biedt voor zuidelijke realiteit, leert dat volken hun structurering door de eeuwen of millennia heen proefondervindelijk hebben opgebouwd. De taaiheid droeg bij aan duurzaamheid.

Alleen, zulke structuren hebben niet altijd een snel antwoord op nieuwe invloeden. Hoe die structuren nu precies in elkaar zitten, waardoor ze zo taai zijn en hoe ze interacteren met noordelijke verstoringen en beleidsinstrumenten, zouden centrale vragen in de ontwikkelingssamenwerking moeten zijn. Gunning loopt er voor weg.