Holla's Lulu wekt associaties met een kooi vol wilde dieren

Voorstelling: Lulu, naar Frank Wedekind, door Stichting Schreeuw/Karina Holla. Concept/regie: Karina Holla; decor: Roel Schneemann; muziek: Ernst Bechert; decors: Dinorah Jorio; licht: Kees van de Lagemaat. Spel: Jeannette Huizinga, Peter Kamphorst, Gerindo Kartadinata, Nathalie Smoor, Karina Holla. Gezien: 11/11 Theater Frascati, Amsterdam. T/m 25/11 aldaar; tournee t/m 10/2. Inl. 020-6277555.

'Ik ben choreograaf van groteske dansen.' Met deze woorden stelt een personage in Lulu zich voor - en het publiek lacht, want iedereen in de zaal weet dat met die choreograaf niemand anders bedoeld wordt dan regisseuse Karina Holla zelf. Holla betitelt haar werk als grotesk omdat zij van grote gebaren houdt en van meer dan levensgrote emoties.

Voor subtiliteiten is in haar nieuwe voorstelling Lulu geen plaats. Hier heerst de schreeuwerigheid van het circus. De kostuums zijn uitgevoerd in schelle kleuren en de muziek klinkt hard en bonkerig. Karina Holla, verkleed als spreekstalmeester, praat met galmende microfoonstem de losse scènes aan elkaar. Die spelen zich op en rond een lange evenwichtsbalk af en lijken op acrobatieknummers. Holla's acteurs springen eroverheen, dansen erop en hangen eronder als apen aan een boomtak.

De associatie met gevangengenomen wilde dieren dringt zich aan de toeschouwer op, omdat de spelers zich in een decor bevinden dat niet alleen aan een piste maar ook aan een kooi doet denken. Dat de driften van deze diermensen zich niet laten onderdrukken, blijkt vooral uit het gedrag van Lulu (Jeannette Huizinga), een ongeremde, onbeschaamde en ongrijpbare voormalige straatmeid. Lulu als zinderend zinnelijke Oervrouw: het is niet bepaald een verrassende interpretatie die Holla ons voorschotelt. Weinig interessant zijn ook Lulu's bewonderaars, die als motten om haar vlam heen fladderen.

Rond de eeuwwisseling choqueerde Frank Wedekind met zijn drama Lulu het publiek. Lulu's rauwe sensualiteit, door Wedekind in een expressionistische vorm gegoten, was voor die dagen ongehoord. Toch bleef de schrijver schatplichtig aan de traditie. Want Lulu en al haar minnaars creperen tenslotte als honden, wat eigenlijk gewoon de zoveelste variant is van de klassieke hel-en-verdoemenis-theorie.

Karina Holla, die altijd voorstellingen over sterke en vitale vrouwen maakt, zou consequent zijn geweest als ze Lulu had laten leven. Of als ze duidelijk had weten te maken dat Lulu vermoord wílde worden, bij wijze van uiterste lustbeleving. Maar nee, de regisseuse volgt domweg de verhaallijn en intenties van Frank Wedekind, en de enige vrijheid die ze zich heeft gepermitteerd is de verwijdering van een aantal personages, scènes en tekstfragmenten. Háár Lulu is niet vernieuwend of choquerend, hoezeer Holla ook haar best doet een brutale indruk te maken, bijvoorbeeld door de spelers een deel van de avond naakt over het toneel te laten hollen.

Drie blote vereerders van Lulu die samen smachtend in een tobbe zitten, dat beeld is voor Holla kennelijk het toppunt van vrijpostigheid. Terwijl ik me alleen maar zat te ergeren aan de aanstellerigheid van die spartelende acteurs in dat schuimende water.