Het zit niet mee

Zelfs zij die, anders kennelijk dan het kabinet-Kok, twijfelden of de eigenschappen die iemand een goede minister-president van Nederland maken, hem automatisch deugdelijk doen zijn voor de functie van secretaris-generaal van de Noordatlantische verdragsorganisatie, zullen oud-premier Lubbers het lot dat hem nu overkomen is, niet gunnen. Daarvoor zijn zijn verdiensten voor het land te groot.

Dat neemt niet weg dat de mislukking van zijn kandidatuur dwingt tot zelfonderzoek. Het gaat niet aan, de schuld daarvan uitsluitend aan de Amerikanen te geven. Hoewel het kabinet voorzichtiger heeft geopereerd dan bij andere, soortgelijke gelegenheden wel het geval is geweest, moeten we ons afvragen of het niet ook steken heeft laten vallen.

En wanneer we enkele vragen die ons dwarszitten formuleren, moeten we onvermijdelijk beginnen met de keuze van de persoon. Was het kabinet er werkelijk van overtuigd dat Lubbers de juiste man was voor de functie waarvoor het hem kandideerde of wilde het hem alleen maar belonen voor wat hij voor ons land had gedaan? De vraag is eigenlijk overbodig, want het kabinet zal nooit erkennen dat het tweede het eigenlijke motief was.

Aangenomen mag worden dat Lubbers, een bekende dossiervreter, zich, wat de feiten betreft, voldoende had voorbereid op het examen dat de Amerikanen hem zouden afnemen, maar is er genoeg rekening mee gehouden dat hij zich op een manier pleegt uit te drukken die voor velen, en zeker Amerikanen, raadselachtig is? Voor minister Van Mierlo, die op hetzelfde jezuïetencollege heeft gezeten als Lubbers, zijn diens woorden misschien klaar als een klontje, maar niet iedereen in Washington heeft die voortreffelijke opleiding genoten.

Andere vraag: heeft het kabinet Washington even vroeg geconsulteerd over een eventuele kandidatuur-Lubbers als de Europese hoofdsteden? En is die consultatie breed genoeg geweest of heeft zij zich bepaald tot het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken? Die vraag moet gesteld worden omdat het een euvel van sommige diplomaten - niet alleen Nederlandse - is het oordeel van die gesprekspartner in het land van hun accreditering als representatief voor de stemming in het land of in de volksvertegenwoordiging te beschouwen.

Het is de Amerikanen kwalijk genomen dat ze Lubbers en zijn Deense tegenkandidaat naar Washington hebben ontboden voor een examen. Maar getuigt dit niet juist van grote ernst en zorgvuldigheid? Waarom hebben de andere bondgenoten de kandidaten niet eveneens nader aan de tand gevoeld? Of woog bij hen de vraag naar het land van hun herkomst zwaarder dan hun kwalificaties voor de functie?

Ook als het waar is dat de Amerikanen zich voor het blok gezet voelden door de - in hun ogen vroegtijdige - keus van de grote Europese bondgenoten ten gunste van Lubbers, is er veel te zeggen voor de procedure die zij gevolgd hebben. Dat Nederland daar, op zijn beurt, door gepikeerd is, is een offer dat zij een goed functioneren van de NAVO kennelijk waard achten.

Dat kan alleen maar betekenen dat Washington nog grote waarde hecht aan de NAVO. Daar is wel eens, na het einde van de Koude Oorlog en de opkomst van het rechtse unilateralisme (soms ten onrechte isolationisme genoemd), aan getwijfeld. Na het Amerikaanse ingrijpen in het Bosnische conflict (waarin de Europeanen zich machteloos toonden) is de aandacht die zij aan de opvolging van Willy Claes schenken, een nieuw teken dat die twijfel, vooralsnog althans, ongegrond is - al is het zuur dat Nederland daarvan het slachtoffer moest zijn.

Dat is dus de zon die achter de wolken schijnt waarin Nederland zich, in een begrijpelijk gevoel van verongelijktheid, nu hult. Maar hoe klopt dit Amerikaanse optreden met hun wens dat Europa een grotere rol in de NAVO zal spelen - een wens die president Clinton zelf met veel nadruk op de NAVO-topconferentie van januari 1994 heeft beleden?

Toen waren er sceptici die daarin een teken van Amerikaanse disengagement zagen: jullie Europeanen zoeken het voortaan maar zelf uit. Die scepsis lijkt nu door het resolute Amerikaanse optreden in het Bosnische conflict en in de kandidatuur-Lubbers voorlopig gelogenstraft. En dat bewijst weer dat de Amerikanen, ondanks hun adhesiebetuigingen aan het Europese ideaal, scherp reageren wanneer ze menen door de Europeanen voor een fait accompli gesteld te worden.

Daarmee is ook de droom van de NAVO als tweepijlerconstructie - Amerika en een verenigd Europa als de twee pijlers - vervlogen. Als puntje bij paaltje komt, moeten de Verenigde Staten - het is al meermalen gebleken - weinig van een verenigd Europa hebben.

Wanneer dit zo is, dan zal minister Van Mierlo die tweepijlerconceptie, waarvan hij zich sinds jaar en dag een welsprekend aanhanger heeft betoond, mede in het zelfonderzoek moeten betrekken waartoe de mislukking van de kandidatuur-Lubbers dwingt. Als dat maar niet gebeurt in de mokkende stemming waarvan hij blijk gaf op de persconferentie waarin hij die mislukking bekendmaakte.

Maar het moet erkend worden: het zit hem niet mee. Van de hoerastemming waarin de heren Kok en Van Mierlo begin maart van dit jaar van hun bezoek aan Washington terugkwamen, is niet veel overgebleven; en de betrekkingen met Frankrijk, die Van Mierlo wel eventjes, na eeuwen van wederzijds onbegrip, zou verbeteren, zakten in zijn eerste jaar als minister tot een dieptepunt. Ook twee illusoire pijlers?