Het regeerakkoord volgens Mattheus

De overheid geeft dit jaar 343 miljard gulden uit voor diverse collectieve voorzieningen en sociale uitkeringen. Sommige mensen denken dat al die collectieve uitgaven hoofdzakelijk aan de middenklasse en de meest bemiddelden ten goede komen. Er zou sprake zijn van een Mattheus-effect: wie al een goed tot uitstekend inkomen heeft, profiteert het meest van door de overheid tot stand gebrachte voorzieningen. In het evangelie volgens Mattheus staat immers geschreven: wie heeft, hem zal gegeven worden. Anderen denken daarentegen dat in dit land vooral mensen die wat méér verdienen de loodzware lasten van de verzorgingsstaat torsen, zonder dat zij veel van hun belasting- en premieguldens terug zien. Wie heeft er gelijk? Uit rapporten van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) kan iedereen die de moeite wil nemen, precies te weten komen welke invloed de overheid op de inkomensverdeling uitoefent.

De gegoede middenklasse profiteert het meest van subsidies voor hoger onderwijs en cultuur, evenals van de kinderbijslag. Ook geniet zij de hoogste woonsubsidie (5 miljard gulden), doordat eigenaren-bewoners slechts een gering bedrag als huurwaarde bij hun belastbaar inkomen hoeven te tellen, terwijl zij de betaalde hypotheekrente zonder enige beperking als aftrekpost kunnen opvoeren. Anderzijds betalen huishoudens met een laag inkomen weinig voor de geconsumeerde gezondheidszorg. Al met al blijkt het profijt van de overheid in de loop van de tijd opmerkelijk stabiel te zijn verdeeld. In de periode 1977-1991 kwam steeds tien procent van de overheidsuitgaven ten goede aan de twintig procent van de huishoudens met de laagste inkomens. Anderzijds ging ruim dertig procent van de overheidsuitgaven naar de twintig procent van de huishoudens met de hoogste inkomens.

Het beeld verandert wanneer behalve het gebruik van gesubsidieerde goederen en diensten ook de invloed van belastingen en sociale uitkeringen in aanmerking wordt genomen. Vooral de sociale uitkeringen brengen een forse inkomensherverdeling teweeg. Uitkeringen vallen voor het overgrote deel toe aan huishoudens in de onderste helft van de personele inkomensverdeling.

De profijtstudies van het SCP laten zien dat de overheid de gezinsinkomens per saldo aanzienlijk nivelleert. In 1991 zakte het aandeel van de rijkste twintig procent van de huishoudens van 52 procent in het nationaal inkomen tot 38 procent in het herverdeelde nationaal inkomen, terwijl het aandeel van de armste helft van de huishoudens verdubbelde van 13 procent in het verdiende nationaal inkomen tot 28 procent in het herverdeelde inkomen. Voor zijn berekeningen gebruikt het SCP gegevens uit omvangrijke, representatieve steekproeven van werkelijk bestaande Nederlandse gezinnen. Deze aanpak biedt grote voordelen boven het opstellen van koopkrachtplaatjes zoals het Centraal Planbureau die produceert voor slechts enkele denkbeeldige huishoudenstypen (sociaal minimum, modale werknemer). Van alle gezinnen uit de door het SCP gebruikte steekproeven is bekend wat zij verdienen door deel te nemen aan produktieproces, hoeveel zij aan uitkeringen ontvangen en van welke door de overheid gesubsidieerde voorzieningen zij gebruik maken.

Vorige week publiceerde het SCP met gebruikmaking van zijn beproefde onderzoekmethode een rapport over de Inkomensgevolgen van het Regeerakkoord 1994-1998. In totaal heeft het bureau 24 maatregelen uit het paarse regeerakkoord doorgerekend. Met elke maatregel was ten minste 50 miljoen gulden gemoeid. Het betreft bezuinigingen op de studiefinanciering, het achterblijven van de sociale uitkeringen bij de CAO-lonen (gedeeltelijke ontkoppeling), de herziening van de ziektekosten- en de arbeidsongeschiktheidsverzekering, en de lastenverlichting voor gezinnen. In totaal gaat het bij deze maatregelen om 48 miljard gulden. Veel posten vallen echter tegen elkaar weg: gezinnen krijgen enerzijds minder kinderbijslag, maar anderzijds behoeven zij minder inkomstenbelasting te betalen. Per saldo gaan de ruim zes miljoen huishoudens er over de gehele periode 1994-1998 slechts 1 miljard gulden op achteruit, dat is 150 gulden per huishouden. Dit bedrag is bestemd om het financieringstekort van de overheid kleiner te maken. Een koopkrachtverlies van 150 gulden in vier jaar tijd is natuurlijk niet onoverkomelijk. De lasten uit hoofde van het regeerakkoord zijn echter scheef verdeeld: de zwakste schouders moeten de zwaarste lasten dragen.

Huishoudens in de onderste helft van de inkomensverdeling schieten er gemiddeld 500 gulden bij in (driemaal zoveel als gemiddeld), de rijkste tien procent van de gezinnen gaat er daarentegen juist 500 gulden op vooruit. Eenoudergezinnen verliezen in doorsnee 1300 gulden, alleenstaanden 450 gulden, terwijl het grootste voordeel toevalt aan alleenverdieners met kinderen (plus 220 gulden). Gezien deze uitkomsten is de instelling van een ministerie voor gezinszaken, waarvoor is gepleit door oppositieleider Heerma (CDA), volstrekt overbodig. Het klassieke gezin, waar de man de kost verdient, komt immers reeds als beste uit de paarse koopkrachtbus. De koopkrachtgevolgen van het paarse regeerakkoord kunnen ook worden verbijzonderd naar sociaal-economische groep. Werknemers zijn spekkoper; zij gaan er dank zij het regeerakkoord in deze kabinetsperiode 500 gulden op vooruit. Uitkeringsontvangers verliezen 700 gulden, zelfstandigen 750 gulden. De laatstgenoemde groep profiteert echter in hoge mate van allerlei tegemoetkomingen voor het bedrijfsleven, die het SCP buiten beschouwing heeft gelaten, zoals extra verhogingen van de zelfstandigenaftrek in de inkomstenbelasting. De zwaarste klappen vallen bij ontvangers van een pensioen wegens ouderdom of arbeidsongeschiktheid, met name door de komende herziening van de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen AAW en WAO.

De eerstverantwoordelijke bewindsman Melkert (PvdA) reageerde als door een wesp gestoken op de uiterst onwelkome beleidsinformatie van het SCP. Binnenkort brengt hij een nota uit vol fraaie teksten over armoedebestrijding. Het komt dan uiterst ongelegen wanneer spijkerhard wordt aangetoond dat het huidige kabinetsbeleid de armoedeproblemen in de samenleving alleen maar verergert. Dus zou het SCP met de conclusie dat het beleid de verschillen tussen rijk en arm vergroot volgens de minister een verkeerde voorstelling van zaken geven. Melkert beklemtoonde de afgelopen week dat de komende herziening van AAW en WAO inkomensneutraal moet zijn. Technisch is dit echter onmogelijk. Ook volledig herstel van de koppeling van de uitkeringen aan de CAO-lonen in 1997 en 1998, een maatregel waar de VVD zich overigens krachtig tegen verzet, biedt gezinnen met lage inkomens onvoldoende soelaas.

Melkert moet niet draaien, ook al knaagt zijn slechte geweten. Cijfers van het andere planbureau documenteren dat de sociale minima sinds het begin van de jaren tachtig steeds verder achterop zijn geraakt bij de werkenden. Tussen 1983 en 1990 daalde het sociaal minimum van 68,4 tot 62,4 procent van het gemiddeld verdiende loon. Sinds de PvdA meeregeert, zakte het sociaal minimum dieper weg tot 58 procent van het verdiende loon. Partijgenoten van Melkert die het rustig willen nalezen, worden verwezen naar de onderste regel van bijlage A6 van de Macro Economische Verkenning 1996 van het Centraal Planbureau.

Beide planbureaus brengen onomstotelijk dezelfde boodschap: in de hectische zomer van 1994 schreven voormannen van PvdA, VVD en D66 een regeerakkoord volgens Mattheus. Uitkeringsontvangers betalen het gelag; in feite is er geen alternatief om bij de collectieve financiën orde op zaken te stellen.