Het gaat om de rechtvaardiging van de handelwijze

ROTTERDAM, 14 NOV. De rechtbank in Groningen heeft de huisarts uit Holwierde ontslagen van rechtsvervolging wegens het beëindigen van het leven van een pasgeboren baby die vreselijk leed. De rechters erkenden het beroep op overmacht in de zin van noodtoestand dat de verdediging in dit proces had gedaan. Hier was sprake van zorgvuldig medisch handelen. De huisarts zelf toonde zich niet erg te spreken over de uitspraak: “Ik word toch afgeschilderd als iemand die een moord heeft gepleegd, zij het in een noodtoestand. Maar ik heb het enige gedaan wat goed was.”

De rechters hadden oog voor dit bezwaar. In een van de eerste passages van hun vonnis betitelen zij de werkwijze van de huisarts delicaat als “thanatisch handelen”. Tien jaar geleden deed de rechtbank in Den Haag al iets dergelijks in het geval van de verpleeghuisarts van De Terp. Het is echter een term die men tevergeefs in de wetboeken zal zoeken zodat hij niet werkelijk uitkomst biedt.

Van euthanasie kan in dit soort gevallen geen sprake zijn omdat dit een weloverwogen verzoek van de betrokkene impliceert. Daardoor moet het strafrecht in dit soort gevallen wel terugvallen op de delictsomschrijving van van moord. Deze behelst een welbewuste beneming van het leven van een ander. Naar de letter heeft de huisarts deze delictsomschrijving vervuld. Daardoor kan hij niet worden vrijgesproken, want dat veronderstelt dat niet is bewezen dat de verdachte het telastegelegde feit heeft begaan. Hier gaat het om de rechtvaardiging van de handelwijze en de erkenning daarvan door de rechter heet niet vrijspraak maar ontslag van rechtsvervolging.

In beide gevallen is er sprake van een ondubbelzinnige juridische rehabilitatie van de arts. Maar Kadijk heeft natuurlijk gelijk als hij protesteert dat zijn handelwijze buiten de gebruikelijke opvatting van een moord valt. Wat moet het recht daar mee aan? Ooit leverde de Duitse rechtswetenschap het leerstuk op van de Typizität. Dit behelsde dat een gedraging om strafbaar te zijn niet alleen heeft te voldoen aan de letter van het wetsartikel maar ook moet vallen binnen de onderliggende bedoeling van de strafwet. Een dergelijke benadering komt de duidelijkheid van het strafrecht niet ten goede en is eigenlijk altijd in het rijk van de theorie gebleven.

Toch komt bewust levensbeëindigend handelen van artsen zonder een uitdrukkelijk verzoek meer voor dan men denkt, zo bleek in 1991 uit het onderzoek van de Commissie-Remmelink naar de medische praktijk rond het levenseinde. Dit noemde enkele honderden gevallen per jaar. Het betrof vrijwel steeds ernstig zieke en stervende patiënten die kennelijk zwaar leden en niet meer in staat waren hun wil kenbaar te maken. De commissie wilde actieve levensbeëindiging in dit soort gevallen erkend zien als een vorm van “stervenshulp”.

De regering nam dit standpunt niet over. Terecht, betoogt de Amsterdamse emeritus hoogleraar H.J.J. Leenen in zijn handboek gezondheidsrecht. Hij is bevreesd voor een hellend vlak en waarschuwt het verschil tussen tussen euthanasie en levensbeëindiging zonder verzoek niet te vertroebelen. Toch vindt ook de Amsterdamse gezondheidsjurist dat het juridisch accent in het geval van zwaardefecte pasgeborenen niet primair bij de delictsomschrijving van moord dient te worden gelegd. Er is sprake van twee fasen die goed uit elkaar dienen te worden gehouden, schreef hij onlangs in het Juristenblad naar aanleiding van de vergelijkbare zaak van een baby in Purmerend.

Bepalend is in de eerste plaats de beslissing of (verdere) medische behandeling zinloos is. Strafrechtelijk is geen arts gehouden tot een medisch zinloze behandeling. Afzien van een zinloze behandeling zal veelal tot de dood leiden. Pijnbestrijding blijft daarbij uiteraard geboden. Pas als deze onvoldoende aanslaat komt actieve levensbeëindiging aan de orde en daarmee het strafrecht. De zorgvuldig handelende arts zal zich op overmacht (noodtoestand) kunnen beroepen.

Strafrechtelijk is het dan ook volgens Leenen onvermijdelijk dat het om “moord” gaat. Ongevraagde of onvrijwillige euthanasie is immers een contradictio in terminis. De door de rechtspraak ontwikkelde criteria voor de rechtvaardiging van euthanasie in de eigenlijke zin van het woord zijn volgens Leenen in het geval van een baby'tje ook niet bruikbaar. Het gaat alleen om de vraag van de pijnbestrijding.

Leenen heeft wel een troost voor de Groningse huisarts. Een strafrechtelijke kwalificatie dient niet te worden overdreven. Zelfs normale medische ingrepen leveren juridisch gezien een strafbaar feit op, zoals mishandeling (operatie). Deze worden min of meer automatisch gedekt door een verantwoorde medische beroepsuitoefening. Deze speelt natuurlijk ook een belangrijke rol bij beslissingen over het levenseinde. Maar een algemene “medische exceptie” (uitzondering) gaat niet op, zo heeft de Hoge Raad uitgesproken. Dat kan ook moeilijk anders want het gaat hier om het meest elementaire mensenrecht - dat op leven.