Europa moet uiterlijk 2002 één munt hebben

AMSTERDAM, 14 NOV. Uiterlijk op 1 januari 2002 moet de toekomstige Europese Centrale Bank een gemeenschappelijke munt uitgeven in de lidstaten van de Europese Monetaire Unie. Maximaal een half jaar na die datum verliezen de nationale bankbiljetten en munten hun status van wettig betaalmiddel. Daarmee moet de Europese monetaire eenwording uiterlijk op 1 juli 2002 zijn voltooid.

Dit is het scenario voor de invoering van de ene gemeenschappelijke munt dat het Europees Monetair Instituut, de voorloper van de Europese Centrale Bank, schetst in een vandaag verschenen rapport dat in december op de top in Madrid zal worden voorgelegd aan de Europese Raad.

In Madrid worden definitieve besluiten genomen over het invoeringsproces en de naam van de munt. President dr. W.F. Duisenberg van De Nederlandsche Bank gaf vanmorgen een toelichting op het rapport.

De overgang van de nationale munten naar één Europese munt zal, volgens het Europees Monetair Instituut, in een aantal stappen verlopen. Allereerst zullen de regeringsleiders in het vroege voorjaar van 1998 op basis van de eerder vastgestelde toelatingscriteria met betrekking tot onder meer inflatie, staatsschuld en begrotingstekort besluiten welke landen in aanmerking komen voor deelname aan de Monetaire Unie. Op datzelfde moment zal de Europese Centrale Bank worden opgericht.

Eind 1998 moeten de wisselkoersen aan elkaar worden geklonken, waarna per 1 januari 1999 de Europese Monetaire Unie officieel van start gaat. Op die datum ook wordt de Europese Centrale Bank operationeel en zullen de nationale centrale banken hun zelfstandigheid verliezen. Vanaf 1999 zal de Europese Centrale Bank alle transacties met particuliere banken in de Europese munteenheid verrichten. Transacties tussen particuliere banken en burgers blijven voorlopig gehandhaafd in nationale munten. Uiterlijk op 1 januari 2002 zal de Europese munt in omloop worden gebracht. Duisenberg schatte de kosten van de invoering van de munt alleen voor Nederland al op enkele honderden miljoenen guldens.

Dat het Europees Monetair Instituut heeft gekozen voor een overgangsperiode van maximaal een half jaar tussen de invoering van de Europese munt en de afschaffing van de nationale munten, heeft een aantal redenen, zo staat in het rapport. Een kortere intrekkingsperiode voor de 'oude' munten zou tot overbelasting kunnen leiden bij de banken. Ook hebben de fabrikanten van apparatuur waarin bankbiljetten en munten worden gebruikt aangegeven dat zij een dergelijke periode nodig hebben voor de aanpassing en herprogrammering van de apparatuur. Op dit moment telt de Europese Unie circa 3,15 miljoen verkoopautomaten en 130.000 geldautomaten. Voorts heeft de bancaire en financiële sector te kennen gegeven de periode waarin de nationale en de Europese munt naast elkaar worden gebruikt zo kort mogelijk te willen houden, onder meer omdat het bestaan van 'dubbele kassa's' veel administratieve rompslomp geeft.

De komende jaren moet nog een aantal afspraken worden gemaakt omtrent de nieuwe Europese munt. Zo is nog niets besloten over het uiterlijk van de munt: krijgen alle lidstaten volledig identieke bankbiljetten en munten of betaalmiddelen die aan één kant gelijk zijn en aan de andere kant een nationaal kenmerk vertonen? Over de coupures zijn al wel principe-afspraken gemaakt: de munt krijgt waarden van 10, 20 en 50 'cent', en verder van 1, 2, 5, 10, 20, 50, 100, 200 en 500. Duisenberg wees er op dat de nationale biljetten, nadat zij hun status van wettig betaalmiddel hebben verloren, tot in lengte van jaren kunnen worden ingewisseld bij de centrale banken.