De kernprodukten van de justitie-fabriek

ROTTERDAM. Het was een gewone ochtend op de markt van recht en onrecht. De gangen van de Rotterdamse arrondissementsrechtbank zaten vol eisers, klagers, slachtoffers en verdachten, vanuit de kantine klonk het gerinkel van de koffiekopjes, advocaten fladderden gehaast de trappen op en af en in zaal A begonnen de rechters te vonnissen. Het was negen uur. Er werd een man tot drie jaar veroordeeld omdat hij iemand vanwege een geldkwestie gegijzeld had. Een dealertje kreeg tien maanden met aftrek. Een inbreker twintig maanden plus tien voorwaardelijk. Iemand die geprobeerd had een vrouw in de bosjes te trekken kreeg een jaar. Een andere man kreeg een half jaar wegens bedreiging van zijn ex-vriendin, verboden vuurwapenbezit en diefstal van een fotoalbum. Daarna boorden de rechters zich als een kurketrekker in een vrouwenhandelzaak rond de club 'Je t'aime', een uiterst gecompliceerde kwestie met een stuk of elf verdachten waar in totaal meer dan een week voor uitgetrokken was.

Voor de drie vrouwelijke rechters in zaal L stond ondertussen een Marokkaanse jongen met afgetrapte sportschoenen in moeizaam Nederlands zijn eigen zaak te verdedigen - met zijn advocaat had hij ruzie gekregen. Hij leefde al twintig jaar in de drugswereld en zijn strafblad was navenant. Ditmaal was het ontucht met het dochtertje van zijn vriendin - ook een verslaafde. De zaak duurde nog geen kwartier. Eis: twee jaar onvoorwaardelijk.

De nieuwe verdachte was een wat oudere, welbespraakte man die zich twaalf jaar geleden vergrepen had aan een vriendinnetje van zijn dochter. Hij had het ook met zijn dochter geprobeerd, “maar die sloeg altijd haar benen over elkaar heen, en dan kun je niets meer”. De drie vrouwen achter de tafel namen er ruim anderhalf uur voor om de verdachte te fileren. “U bleef het maar proberen, terwijl uw dochter op alle manieren aangaf dat ze er niet van gediend was.” “Maar ze sliep toch?” Hij was er uit zichzelf mee gestopt, vertelde hij, hij walgde van zichzelf. Toen het vriendinnetje vele jaren later de zaak had aangegeven, was hij niet alleen zijn beste vrienden kwijtgeraakt, maar ook zijn eigen dochter. Die had hem, nadat haar boze dromen weer waren opgerakeld, nooit meer willen zien. Terwijl de reclasseringsambtenaar zijn plannen ontvouwde - tachtig zittingen in een praatgroep van incestdaders - viel hij flauw. Op de tribune begon een vrouw, omringd door vriendinnen, te snikken.

De volgende zaak duurde maar kort - een reeks inbraken van twee jaar geleden, goed voor een eis van acht maanden met aftrek - omdat de verdachte niet was komen opdagen “vanwege een begrafenis”. Ondertussen zat de ontuchtige vader in de kantine bij te komen, samen met zijn vrouw, gebogen aan een bordje soep. 's Middags zou zijn zaak voortgezet worden, tussen de vijf zaken in die nog op de rol stonden, en er moest door de rechters stevig worden aangepoot om op schema te blijven.

Het was, nogmaals, een doorsnee ochtend op de Rotterdamse rechtbank. Er werd, voorzover ik dat kon waarnemen, hard, precies, efficiënt en gewetensvol gewerkt. Toch werd er in de ogen van de beleidsmakers van het ministerie van justitie niet naar waarheid gezocht, er werd geen recht gesproken, er werd geen onrecht hersteld, er werden die ochtend slechts kernprodukten afgeleverd.

Zolangzamerhand moet het begrip 'bedrijfscultuur' ook bij de overheid zeer letterlijk worden opgevat: zelfs de rechtbanken worden primair behandeld als een bedrijf. In de denkwereld van de Haagse managers heten vonnissen en beschikkingen sinds enige tijd kernprodukten, en er is een stelsel ontwikkeld dat te vergelijken valt met de spaarpunten van het Air Miles-systeem: hoe meer vonnissen een rechtbank produceert, des te gunstiger valt de afrekening aan het eind van het jaar uit wat betreft personele en materiële ondersteuning. Het omgekeerde is echter ook het geval: minder vonnissen betekent dat de rechters blijkbaar minder 'produktie' leveren, en dat kost de desbetreffende rechtbank op de lange duur geld en mankracht.

Voor een dergelijk stelsel is veel te zeggen, zolang het de rechtbanken dwingt om efficiënter te werken. Het probleem is echter dat het recht met heel andere normen en categoriën werkt dan alleen nut en efficiëncy, en dat die binnen dit meetsysteem op een gruwelijke manier botsen. Tijdens die ene ochtend in Rotterdam zag ik hoe een stuk of zes kernprodukten afgeleverd werden: het kernprodukt 'verslaafde Marokkaan' kostte de rechters een kwartiertje, met het kernprodukt 'ontuchtige vader' waren de rechters uren bezig - en dan heb ik het nog niet over de voorbereidingstijd. Ieder vonnis, ingewikkeld of niet, leverde echter slechts één Air Mile van Justitie op. Lastige juridische kwesties, flauwvallende verdachten, weerbarstige getuigen, ontbrekende stukken, slordigheden van het parket, het terugverwijzen naar de rechter-commissaris, nadere onderzoeken, alles wat er verder allemaal in een rechtszaal kan gebeuren, het is niet meetbaar in termen van 'input' en 'output', en bestaat dus gemakshalve ook maar niet. Zo kan op den duur een ontjuridisering van het recht ontstaan. Kleine zaken, lekker veel tussenvonnissen, dat tikt aan. Maar een gecompliceerde mega-zaak over vrouwenhandel of over een frauderende restaurantketen kan een rechtbank zich niet al te vaak permitteren: zo'n zaak levert in verhouding tot de bestede tijd en energie veel te weinig vonnissen op, zo'n zaak kost handenvol zorgvuldig opgespaarde Air Miles, zulke bendezaken, fraudezaken en milieuzaken moet een rechtbank eigenlijk zoveel mogelijk vermijden. Zo bijt Justitie uiteindelijk als een kat in de eigen staart.

Tot nu toe trekken de rechtbanken zich weinig aan van deze justitiële puntentelling. Nog steeds besteden rechters rustig een kwartier aan de vraag of de vagina van het slachtoffer door de verdachte alleen was “gestreeld, betast en bevoeld”, dan wel ook “gelikt of gezoend”. Nog trekken ze een lange reeks zittingsdagen uit voor één gecompliceerd vrouwenhandelsnetwerk. Een commissie van de Vereniging voor Rechtspraak probeert tot een meer realistische meting van de werklast te komen en ondertussen laten de meeste rechters zich niet verleiden tot doorhameren en afraffelen.

De meetlat van de Haagse bezuinigers blijft echter slechts van één, onuitgesproken, credo uitgaan: als een rechter niet genoeg vonnissen produceert is hij niet efficiënt, of hij werkt niet hard genoeg. En datzelfde geldt voor allerlei andere beroepen, variërend van onderwijzers tot gezinsverzorgsters. Dat er wel eens tienduizend andere factoren een rol kunnen spelen wil men niet weten. En dat de 'outcome' van hun werk - rechtvaardigheid, zorg, toekomst - op den duur wel eens grote schade kan ondervinden van deze botsing tussen produktiedwang, recht en beroepsethiek, het lijkt vergeten in de drukte van de markt.