CORNELIU COPOSU 1916 - 1995; Symbool van Roemeens verzet

In het universiteitsziekenhuis in Boekarest is zaterdag op 79-jarige leeftijd de leider van de Roemeense Boerenpartij, Corneliu Coposu, overleden aan een hartaanval. Hij lag sinds eind vorige maand met longkanker in het ziekenhuis, na onlangs in Duitsland te zijn geopereerd.

Coposu is een halve eeuw lang de verpersoonlijking en het symbool van de strijd tegen het communisme geweest. Hij werd in 1916 geboren in Transsylvanië als zoon van een senator van de Boerenpartij en studeerde rechten in Cluj tot hij secretaris werd van de leider van de partij, ex- en toekomstig premier Iuliu Maniu. De Boerenpartij, in 1869 opgericht, was in de eerste decennia van deze eeuw een van de drie 'historische partijen' van het pre-communistische Roemenië, met de liberalen en de sociaal-democraten. In 1946, toen het stalinisme de macht greep, werd de partij verboden. De toen 30-jarige Coposu was op dat moment secretaris-generaal.

Een jaar later werd Coposu, die in de oorlog al een jaar in de gevangenis had gezeten, door het nieuwe bewind opgepakt en beschuldigd van “hoogverraad tegen de arbeidersklasse”. Hij werd zwaar gemarteld en kreeg 25 jaar gevangenisstraf. Ruim zeventien jaar bracht Coposu door in de gevangenissen en kampen van de stalinistische leider Gheorghiu-Dej, waarvan de laatste acht jaar in totale afzondering. Die acht jaar overleefde hij, zo heeft hij later verteld, door zijn training als gewichtheffer en door een rigoureus programma van intellectuele zelfwerkzaamheid: in de eenzaamheid van zijn cel placht hij wetten op te stellen, schreef hij gedichten en hield hij politieke debatten met twee denkbeeldige tegenstanders. Toen hij in 1964 amnestie kreeg kon hij nauwelijks nog spreken en woog hij veertig kilo lichter dan bij zijn arrestatie, was hij zijn Frans en zijn Hongaars kwijt - twee talen die hij vloeiend placht te spreken - en had hij zijn in Zwitserland geboren vrouw verloren: zij was na veertien jaar detentie in een gevangenis bezweken. Na zijn ontslag uit de gevangenis moest Coposu nog twee jaar dwangarbeid verrichten voor hij werd vrijgelaten. Maar nog tot 1989 werd hem het leven moeilijk gemaakt door de Securitate van Gheorghiu-Dejs opvolger Ceausescu. Hij mocht als jurist niet in zijn eigen vak werken en werkte als monteur en later als econoom.

Enkele dagen na de omverwerping van Ceausescu's regime in december 1989 betrad Coposu, inmiddels een magere, oude man, maar kaarsrecht lopend en ongebroken, opnieuw het politieke toneel. In de villa van Nicolae Titulescu, de legendarische vooroorlogse minister van buitenlandse zaken en de vader van de Roemeense diplomatie, maakte hij de heroprichting bekend van de Nationale Christen-Democratische Boerenpartij (PN¸T-CD). Hij zou die partij tot zijn dood, zaterdag, blijven leiden. Hij werd bovendien de motor achter de vorming van de Democratische Conventie CDR, de paraplu-organisatie waarin de Roemeense oppositie zich heeft verenigd in haar strijd tegen de 'neo-communistische' president Iliescu en diens sociaal-democratische partij PDSR. In september 1992 werd Coposu lid van de Senaat.

Coposu is de afgelopen jaren de grand old man van de Roemeense oppositie gebleven - een rol die niet altijd even makkelijk en die evenmin altijd zonder gevaar was. In de roerige maanden na de omwenteling van december 1989 is hij herhaaldelijk bedreigd en gemolesteerd. In januari 1990 moest hij met behulp van de toenmalige premier Petre Roman in een pantserwagen zijn partijhoofdkwartier ontvluchten toen dat werd belegerd door aanhangers van Iliescu. Later, tijdens de mineriada - de mars van de mijnwerkers uit de Jiu-vallei op Boekarest - werd zijn partijhoofdkwartier in brand gestoken en moest hij een aantal dagen onderduiken.

Coposu is altijd monarchist in hart en nieren geweest. Hij was de grote gangmaker achter de pogingen de in 1947 afgezette en verdreven koning Michael I naar zijn land te laten terugkeren en van Roemenië weer een monarchie te maken. Volgens Coposu, die als een soort onofficiële woordvoerder van de ex-koning optrad, is de monarchie “het enige systeem dat Roemenië kan redden”. Maar het bewind van Iliescu heeft nooit ingestemd met de terugkeer van de in Zwitserland levende Michael, tenzij hij formeel alle rechten op de troon zou opgeven. Dat heeft Michael nooit willen doen, met het argument dat zijn abdicatie was afgedwongen en daarom onwettig was.

Coposu was de afgelopen jaren de enige Roemeense politicus die de Hongaarse minderheid bijsprong door haar zaak te verdedigen en te bepleiten bij zowel de partijen van de regeringscoalitie als die van de oppositie. Het was typererend voor hem: hij was een man met krachtige morele principes, die geen compromissen kende in zaken als rechtvaardigheid. Zelfs zijn meest verbitterde vijanden prezen hem gisteren als een politicus die respect afdwong. Een van hen noemde hem “een nationaal symbool, met wie een hele wereld is verdwenen.” Een ander prees hem als “het geweten van de natie”, en Béla Marko, de leider van de partij van de Hongaarse minderheid, prees hem om zijn “voorbeeldige morele kwaliteiten”.

De Roemeense staat heeft Coposu nooit gecompenseerd voor de zeventien jaar in de Roemeense Goelag en een halve eeuw van vervolging. De Franse staat eerde hem wel: vorige maand werd Coposu officier in het Legioen van Eer als blijk van waardering voor zijn bijdrage aan de democratisering van de Roemeense samenleving.