Beëindigen leven baby niet vervolgd

GRONINGEN, 14 NOV. Huisarts G. Kadijk uit Holwierde is door de rechtbank in Groningen ontslagen van rechtsvervolging voor het actief beëindigen van het leven van een drie weken oud ernstig gehandicapt meisje. Rechter R. Wessels achtte moord bewezen, maar vond Kadijk hiervoor niet strafbaar omdat hij naar medisch inzicht verantwoord heeft gehandeld en zich kon beroepen op een noodtoestand.

De zaak van Kadijk is door minister Sorgdrager (justitie) aangewezen als proefproces om tot criteria te komen voor de levensbeëindiging van mensen die hun wil niet kunnen uiten. Het gerechtshof in Amsterdam deed vorige week in een zaak tegen de gynaecoloog H. Prins, die ook het leven van een ernstig gehandicapte baby beëindigde, dezelfde uitspraak.

Kadijk maakte ondanks de vrijspraak een aangeslagen indruk. Hij zei teleurgesteld te zijn omdat de kwalificatie moord op zijn naam blijft staan. “Ik voel me een proefkonijn.” Advocaat A. Coumans, die zijn collega E. Sutorius verving, viel hem bij. “Voor de minister is dit een proefproces, maar voor mijn cliënt een echte proces met alles er op en er aan.” Kadijk gaat waarschijnlijk niet in hoger beroep omdat het een te zwaar proces is geweest. Hij overweegt in het vervolg een levensbeëindiging niet meer aan justitie te melden.

Het openbaar ministerie had eerst aangegeven Kadijk niet te zullen vervolgen, maar kwam hierop terug toen Sorgdrager om een proefproces vroeg. Ze wil dat, voordat de Tweede Kamer in 1996 de euthanasiewetgeving evalueert, veertien proefprocessen worden gevoerd. Volgens Coumans moet Sordrager ophouden met de proefprocessen en eerst maar eens een goede wet maken.

Kadijk beëindigde in april 1994 het leven van het meisje, dat leed aan de ernstige chromosoomafwijking Trisomie 13. De levensverwachting was zeer kort. Toen haar situatie snel verslechterde achtten Kadijk en enkele deskundigen intensieve behandeling en pijnbestrijding niet meer zinvol. De rechtbank nam dit oordeel over en vond Kadijks besluit gerechtvaardigd om in te gaan op het verzoek van de ouders het leven van het kind te beëindigen. Van euthanasie is echter geen sprake, omdat de regels daarvoor alleen van toepassing zijn op gevallen bij mensen die wel hun wil kunnen uiten. Daarom maakte Kadijk zich volgens de rechter feitelijk schuldig aan moord.

PvdA-Kamerlid R. Oudkerk zegt de vrees van Kadijk te delen dat artsen door dit soort uitspraken euthanasiegevallen niet meer zullen melden. “De vraag bij deze proefprocessen is of het doel de middelen nog wel heiligt. Artsen ervaren het als zeer belastend wanneer moord ten laste wordt gelegd.” Hij zegt met zijn fractie te willen overleggen of de PvdA “de hakken niet in het zand moet zetten” en Sorgdrager moet vragen geen nieuwe proefprocessen te starten.

De officier van justitie R. Drenth werd twee weken geleden na de zitting door het college van procureurs-generaal op het matje geroepen. Hij had gevraagd om niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, omdat de meldingsplicht indruist tegen het principe dat niemand aan zijn eigen veroordeling hoeft mee te werken. Daarmee ging hij in tegen de wens van Sorgdrager de huisarts te vervolgen.

De rechtbank zei niet over de meldingsprocedure te kunnen oordelen omdat deze ten tijde van het levensbeëindigen van de baby nog niet formeel was geregeld.

Het gesprek met zijn meerderen heeft inmiddels plaatsgevonden, maar Drenth wilde gisteren niet ingaan op de inhoud. Wel zei hij met de hoofdofficier en de procureur-generaal te overleggen of het openbaar ministerie tegen de uitspraak in hoger beroep moet gaan.

Zowel Drenth als advocaat Coumans hekelde twee weken geleden de onmacht van de politiek om tot goede wetgeving te komen. De advocaat vond dat het geen pas gaf een goed bekend staande arts te vervolgen ten behoeve van de vorming van rechtsregels. Rechter Wessels sloot zich echter bij Sorgdrager aan. In het vonnis verklaarde hij vervolging gerechtvaardigd te vinden omdat een strafrechter zijn oordeel dient te kunnen uitspreken over gedragingen die leven en dood betreffen.