Ook voor zangeres Betty 'Bebop' Carter (65) is een tournee met jonge musici erg leerzaam; 'Er is veel dat ik niet kan, zoals Portugees spreken'

Tournee Betty Carter: 19/11 Doelen Rotterdam; 20/11 Theater a/h Vrijthof Maastricht; 21/11 Meervaart Amsterdam; 22/11 Oosterpoort Groningen, 23/11 Muziekcentrum F. Philips Eindhoven; 24/11 Anton Philipszaal Den Haag; 25, 26/11 Vredenburg Utrecht.

Meteen na de soundcheck krijgt de jonge Jamaïcaanse tenorsaxofonist Marc Shim een preek van Betty Carter. De band heeft net het stuk Love Notes gespeeld. “Denk aan de liedtekst”, zegt Carter, “probeer zoveel mogelijk de woorden te onthouden.” Shim, zijn sax nog om de hals, kijkt haar vragend aan. “Ik weet nooit wanneer ik moet invallen”, piept hij. Carter: “Het gaat over de liefde. Vergeet dat niet. Voel je verliefd, dan komt de rest vanzelf.”

Betty Carter (65), klein van stuk maar zonder twijfel een van de grootste nog actieve jazzvocalisten, maakt zich op voor een concert in de jazzclub Porgy & Bess in Terneuzen - een 'Belgisch' optreden voorafgaand aan haar tournee door Nederland. Voor haar uitgebreide bezoek aan Europa en later Zuid-Amerika, heeft Carter een kwartet met uitsluitend jonge honden samengesteld. Net zoals voorheen de Jazz Messengers van drummer Art Blakey, fungeert Carters band als een proeftuin voor jong talent. Muzikanten als Benny Green, Cyrus Chestnut, Stephen Scott en Don Braden kwamen eerder onder haar paraplu vandaan en werken nu aan een eigen carrière. Allen roemen Carters enorme muzikaliteit en discipline.

“Muziekmaken met jonge mensen is ook voor mij leerzaam”, zegt Carter 's middags in haar hotel, waar in de lounge uit een cd-wisselaar continu countryklassiekers sijpelen. “Hun energie en enthousiasme houden mij aan de gang. Bovendien: er is veel dat ik niet kan.” Carter vertelt dat ze bijvoorbeeld Portugees wil leren spreken, om onbekend werk van de overleden songwriter Carlos Jobim uit te voeren. Ze heeft nu al diens ballad Useless Landscapes in haar repertoire opgenomen, maar daarvan zingt ze alleen de eerste en de laatste strofe in de oorspronkelijke taal. Aan het eind van haar tournee, in Brazilië, zal ze haar talenkennis kunnen uittesten.

Betty Carter, een beetje stug en streng tijdens het gesprek. “Wat? Ook nog foto's? Daar komt niets van in.” Ze voelt zich echter in haar element voor een volle zaal. Gekleed in een shabby rode jurk, met een eenvoudige broek eronder en gemakkelijke schoentjes, trekt ze grimassen, steekt ze haar tong uit en slingert ze zich om een paal die in Porgy & Bess pal voor het podium staat. “Oh, how I love this post.”

De in 1930 als Lillie Mae Jones in Flint bij Detroit geboren zangeres heeft nooit de gemakkelijke weg gekozen. In plaats van te teren op haar duetten met Ray Charles in de jaren zestig en haar solo-succes daarna (in 1988 won ze een Grammy voor Look what I got), bleef ze op zoek naar uitdagingen. Aan de lucratieve verleiding om in de jaren zeventig soul of pop te gaan zingen, heeft ze nooit toeggegeven. Carter is vanaf het begin van haar carrière in het orkest van Lionel Hampton, tot aan de platen die ze in de jaren '70 en '80 op haar eigen label BetCar uitbracht, steeds in de beboptraditie blijven zingen.

Op dat gebied heeft Carter een soort alleenheerschappij. Dit jaar riepen de gezamenlijke critici haar in het Amerikaanse vakblad Down Beat voor de zesde maal uit tot de beste vrouwelijke zanger. Werd zij in het verleden tot haar ongenoegen voortdurend vergeleken met Sarah Vaughan en Ella Fitzgerald, inmiddels moet zelfs de verstoktste Billie Holiday-liefhebber op de hoogte zijn van haar originaliteit. Als ze met iets is te vergelijken, dan eerder met een instrumentalist, dan met een andere zangeres.

Op veelgeroemde platen als The Audience with Betty Carter (1979), maar ook op haar laatste cd Feed the Fire (1994), uitgebracht bij platenmaatschappij Verve, verkent Carter de grenzen van haar stem. Niet alleen door te scatten (woordloos zingen), maar vooral door een zeer eigenzinnige frasering en timing, wat het er voor haar begeleiders, niet eenvoudiger op maakt, zoals ook Marc Shim ondervond. Carter zingt niet 'voor haar band', maar beweegt zich, zoals ze zelf zegt, 'om hen heen'. Haar stembuigingen zijn indrukwekkend. “Mijn bereik is de laatste jaren zelfs groter geworden”, stelt ze met enige verbazing vast.

Als Betty Carter niet met haar eigen groep op pad is, cd's opneemt of leiding geeft aan studenten van een conservatorium in New York, speelt ze thuis in Brooklyn op haar cello. De vergelijking van dit instrument met haar stem ligt voor de hand. Als die vervolgens hardop wordt gemaakt, knikt ze minzaam.

Achttien jaar geleden al vroeg Carter zich tegenover drummer/ interviewer Art Taylor af wie haar zou moeten opvolgen als zij in retraite gaat. Hoewel: “In de jazz pensioneer je niet”, lacht ze. Volgens haar was er geen enkele zangeres die zij haar plaats zou willen toevertrouwen. Denkt zij daar inmiddels anders over, nu er heel capabele vocalisten aan het voetlicht treden, zoals Cassandra Wilson? “Ik word zelden verrast door nieuwe zangeressen. Het is natuurlijk niet helemaal eerlijk - ze hebben minder ervaring - maar ik heb er nog geen ontmoet die in staat is me van mijn stuk te brengen, 'to shoot from the hip', om zo te zeggen. Helemaal vrij, zoals ik dat doe.”

Eén van Carters favoriete standards is What's New - een stuk dat beroemd werd in Holiday's vertolking. Carter pleegt zo'n lied dan wel binnenstebuiten te keren. “Ik heb het een keer tijdens een concert op een onherkenbare manier gezongen. In de zaal zat een bekende pianist. Zijn vriendin, die weinig van jazz afwist, zei na afloop dat ze het prachtig vond. De pianist had zich vooral afgevraagd waar de overgang van het eerste naar het tweede deel was gebleven.”

Met Lionel Hampton, de 86-jarige vibrafonist die haar op haar achttiende in zijn orkest opnam en tweeënhalf jaar later weer ontsloeg, zegt Carter nog altijd contact te houden, voorzover mogelijk want Hampton kampt met zijn gezondheid. Destijds placht mr Hampton 'Betty Bebop', zoals hij haar noemde, om de zoveel maanden weg te sturen, waarop mrs Hampton haar weer binnenhaalde. “Ik was jong en onbezonnen. Daarom heeft het uiteindelijk zo kort geduurd. Maar ik ben hem heel dankbaar. Voor een zangeres is het belangrijk om ervaring op te doen in een bigband. Dat ontdekte ik pas later. Het bigband-werk heeft me geleerd wat het is om hard te werken.”

Carters keuze voor jonge muzikanten in haar groep vloeit mede voort uit een intensieve betrokkenheid. “Mijn grootste zorg bij muzikanten van nu is het gebrek aan samenhang en zekerheid. Plekken om op te treden verdwijnen. Media en platenmaatschappijen spannen zich te weinig in om jazz daarheen te brengen waar hij thuishoort: bij jongeren. Het is aardig om veel jonge muzikanten zoals Roy Hargrove te hebben, maar als de huidige generatie hem niet op tv krijgt te zien, heb je er niets aan. Straks is Roy 45 en dan zit hij op een houtje te bijten. Vijfenveertig - dat is tegenwoordig stokoud.”