Nigeria in de strafbank

IN DE TERECHTSTELLING van de Nigeriaanse schrijver Ken Saro-Wiwa en acht van zijn medestanders vrijdagmorgen culmineerde een aantal wandaden van het Nigeriaanse militaire regime. De verregaande bodemverontreiniging die de grootscheepse oliewinning in het gebied van de Ogoni-minderheid met zich meebrengt, het instellen van een 'kangaroo court' tegen de negen stamleden die verzet aantekenden, tezamen werden zij voldoende geacht voor de sancties die dit weekeinde tegen Nigeria zijn ingesteld. De terugroeping van ambassadeurs, de schorsing door het Gemenebest, de stopzetting van hulp door de Europese Unie en andere internationale instellingen, de opschorting van wapenleveranties door de vaste leveranciers, het zijn evenzovele signalen aan de Nigeriaanse leiders dat hun daden niet langer worden getolereerd.

Het is ongebruikelijk dat een land dat zich niet schuldig maakt aan internationaal terrorisme of aan agressie tegen andere staten zo hard wordt aangepakt als Nigeria. Weliswaar legitimeert schending van de mensenrechten op grond van internationale afspraken bemoeienis met de binnenlandse aangelegenheden van een bepaald land en ook leidt die bemoeienis soms tot het afkondigen van sancties, maar een boycot op zo een breed front als nu tegen Nigeria is afgekondigd, is uitzonderlijk.

OP ZICHZELF IS het toepassen van de doodstraf volgens het volkenrecht geen reden tot veroordeling van een land dat die ultieme straf kent, alhoewel de modaliteiten waaronder de uitvoering plaats heeft, dikwijls aanleiding kunnen zijn voor gerechtvaardigde kritiek. Nigeria verdedigt zich met het argument dat de negen gehangenen schuldig zijn bevonden aan moord op politieke tegenstanders en dat zij met inachtneming van de grondwet van het land zijn berecht. De internationale gemeenschap blijkt daarentegen ervan overtuigd dat in de zaak tegen Saro-Wiwa en zijn medestanders het recht zijn loop niet heeft gehad. De rechters zouden horig zijn geweest aan het militaire regime dat legitiem verzet tegen de wijze van exploitatie van 's lands belangrijkste grondstof met onwettige middelen en op grond van valse aantijgingen de kop zou hebben willen indrukken.

Niet alleen regeringen hebben protest aangetekend tegen de veroordeling en de terechtstelling van Saro-Wiwa en de zijnen. Organisaties die zich sterk maken voor milieu en mensenrechten hadden al het voortouw genomen. Hun gramschap treft bovendien ook Shell, de onderneming die de olie in Ogoni-land exploiteert en die daarom verantwoordelijk wordt geacht voor de bodemvervuiling waarmee deze gepaard gaat. Shell voelt zich inmiddels zo zwaar onder druk gezet dat het de indruk heeft gewekt zich opnieuw te willen beraden over verdere activiteiten in Nigeria.

VAN VERSCHILLENDE KANTEN is erop gewezen dat een boycot van de Nigeriaanse olie-export een probaat middel zou zijn om de Nigeriaanse leiders tot inkeer te brengen. Maar dat is een stap die de verantwoordelijke regeringen vermoedelijk juist uit de weg willen gaan. Er bestaat, algemeen gesproken, in de wereld een overschot aan olie, maar de Nigeriaanse variant bezit exclusieve eigenschappen die het tot een gewenst produkt maken. Al snel kan hier het vermoeden van opportunisme ontstaan: het mes dat tegen Nigeria wordt geheven, mag niet tweesnijdend zijn. En als het erom gaat Nigeria in zijn zwakste plek te treffen, moeten de betrokken oliemaatschappijen hun verantwoordelijkheid maar nemen. Maar een dergelijke uitleg, hoe aannemelijk ook op het eerste gezicht, gaat voorbij aan de betekenis van de met maatregelen onderbouwde internationale verontwaardiging. Als precedent verdient zij het niet bij voorbaat te worden onderschat.