Gebedskleedjes op het schoolplein

De 18-jarige Alexandra, uit Peru, vertelt mij dat de Marokkaanse jongens bij haar in de klas - 6 vwo - haar niet meer aankijken. “Als ik de klas binnenkom en goedemorgen zeg, zeggen zij niets terug”.

“Dan heb je zeker iets gezegd dat zij niet leuk vonden”, opper ik.

Maar de jongens blijken àlle meisjes te negeren. “Zij zijn in de vakantie fundamentalist geworden.”

Omdat ik lach (“in de vakantie fundamentalist geworden”) denkt Alexandra dat ik haar niet geloof. “Weet je dan niet dat ze ook bidden op school? In de pauzes blijven ze in het lokaal, als we na de pauze terugkomen, hangt daar die lucht van oude sokken.”

Feit is dat een aantal van hen, sinds de zomervakantie, een woeste baard heeft laten staan. Toch verbaast het me wat Alexandra me nu vertelt, omdat ik deze jongens, die ik allemaal in de klas heb gehad, zo niet ken. Ik informeer eens bij docenten die deze klas nu les geven. “Heb jij er iets van gemerkt”, vraag ik aan de lerares Engels, “dat de Marokkaanse jongens van 6V de meisjes niet meer aankijken?”

“Mij kijken ze ook niet aan”, antwoordt ze.

“Dat meen je niet”, zeg ik.

De lerares knikt. “Ze zitten achterin de klas, zeggen niets, bemoeien zich met niemand. Als ik wat tegen ze zeg, luisteren ze met gebogen hoofd.”

Ze beging de fout een van hen, Hamid, aan te raken. Omdat hij haar niet aankeek, zag hij niet dat zij hem wat papieren wilde geven, dus tikte ze hem even tegen zijn schouder. De jongen deinsde opzij, als door een wesp gestoken.

Niet alleen bij de lerares Engels, ook van de lerares biologie, de lerares Nederlands, wenden ze de blik ostentatief af. Mannelijke docenten kijken ze nog wel aan, maar ook daar doen ze nauwelijks nog met de les mee. En op vrijdagmiddag bestaat de school helemaal niet meer voor ze want dan gaan ze naar de moskee.

Met groeiende verbazing hoor ik het allemaal aan. Dit moest natuurlijk eens gebeuren op een school waar meer dan de helft van de leerlingen moslim is. Ik besluit mijn licht eens op te steken bij het groepje Marokkaanse jongens uit 5 havo, dat altijd bij het hek staat. Abdelkahar, Abdeslam, Younes, Ali, Karim - ook hen ken ik goed omdat ik ze vorig jaar in de klas had. Ik vraag ze, zonder eromheen te draaien, of zij tegenwoordig ook bidden op school.

“Ja...”, zegt Ali, ietwat wantrouwend. Hij weet nu niet tot welk kamp ik behoor en is misschien bang dat de schoolleiding zich ermee zal gaan bemoeien.

“Dat deed je vorig jaar niet...”, zeg ik.

Hij haalt zijn schouders op. Younes komt ertussen: “Ik heb altijd vijf keer per dag gebeden.”

“Echt waar?” vraag ik.

Hij knikt.

“Maar niet op school”, zeg ik.

“Jawel hoor, vorig jaar ook.”

Ik kijk hem verbaasd aan. Van deze grappenmaker en milde herrieschopper had ik dat niet verwacht.

“Jij ook, Abdeslam?” vraag ik aan de broer van Younes.

Abdeslam begint te grinniken - blijkbaar is hij minder streng voor zichzelf.

“Waar bidden jullie dan?” wil ik weten.

Nu beginnen ze allemaal een beetje te lachen, geheimzinnig. “Wat maakt dat uit”, zegt Ali.

“In een lokaal?” vraag ik.

Ali knikt. “Soms krijgen we de sleutel van B. (de gymleraar) en kunnen wij in de kleedkamer.”

Dat had ik ook van Alexandra gehoord - dat zij, toen zij zich wilde gaan omkleden voor de gymnastiekles, in de kleedkamer een aantal biddende jongens had aangetroffen.

“En als dat straks niet meer mag?” vraag ik.

“Wij vinden heus wel een plek hoor...”, zegt Younes op de toon van iemand die zich niets laat afpakken.

Ik loop de school weer in. Bij de ingang staat Said, een kwajongen van 15 jaar, in een paar maanden tijd zeker een halve meter gegroeid. “Bid jij tegenwoordig ook op school?” vraag ik hem, lukraak.

Said begint smadelijk te lachen.

Ik vraag hem wat hij dan van die anderen vindt, die wel bidden.

Weer die lach. “Had je ze vorig jaar moeten zien! Toen stonden ze hier ook nog gewoon met meisjes te zoenen...”

Het klinkt alsof hij zich tegenover hen heeft moeten verdedigen. “Hebben ze jou soms ook gevraagd of je meeging bidden?”

“Ze vragen iedereen.”

Wat moet de school hier nu mee aan? Nadat het onderwerp in de docentenkamer gedurende enkele dagen uitvoerig besproken is, lijkt een en ander ook tot de schoolleiding doorgedrongen. Tijdens een 'gesprek', waarin men de zaken omzichtig benadert, krijgen de jongens te horen dat het spijbelen op vrijdagmiddag niet kan. Er geldt immers een aanwezigheidsplicht en deze school, een “dagschool met een openbaar karakter”, kan voor moskeebezoek geen uitzondering maken. Over het bidden tijdens pauzes - een wat neteliger onderwerp - zou slechts zijn opgemerkt dat men dat liever niet binnen de muren van de school ziet gebeuren.

Nog dezelfde dag, na het zesde uur, ontrollen zes Marokkaanse jongens op het schoolplein hun bidkleedjes. Rustig, ernstig, trekken ze hun schoenen uit en blijven twintig minuten in gebed verzonken, nu eens staand, dan weer knielend, de neuzen op Mekka gericht. Het is ongetwijfeld niet bedoeld als provocatie - het is een gebed - maar iets provocerends zit er toch wel in.

Even lijkt het er dan ook op dat de zaken een grimmige wending nemen, maar nee: zo demonstratief als het religieuze vuur oplaaide, zo onopvallend dooft het weer. In de dagen die volgen zie ik de jongens nog een paar keer buiten, op hun bidkleedjes, maar na een week al niet meer. En van de leraressen hoor ik - groot nieuws - dat ze weer aangekeken worden.

Waarschijnlijk werd het de jongens allemaal teveel. Het gesprek met de schoolleiding, docenten die op ze inpraatten... Eén van de jongens, de meest strijdbare, heeft bij de natuurkundedocent - misschien de enige docent voor wie hij een diep respect voelt - zijn hart gelucht. Hij had er niet op gerekend, zei hij, dat de manier waarop hij zijn geloof wenste te beleven, zoveel weerstand zou oproepen. “Maar vrouwen niet aankijken”, heeft de natuurkundedocent hem nog eens gezegd, “dat kan je hier in Nederland écht niet maken.”

De moskee willen ze echter niet opgeven. Ze gaan er op vrijdag nog altijd naar toe, maar komen dan zo snel mogelijk weer terug, zodat ze slechts te laat zijn en niet meer absent. De natuurkundedocent, wiens les hierdoor verstoord wordt, ziet het maar door de vingers. “Je moet ze toch een béétje ruimte geven.”