Eigenzinnigheid is Nordholts handelsmerk

Beschadigd kwam de Amsterdamse politie twee jaar geleden uit de IRT-affaire te voorschijn. In de parlementaire enquête wist hoofdcommissaris Nordholt zijn korps te rehabiliteren. Het beeld van “onbekwame, onbetrouwbare, praatzieke en corrupte agenten, is rechtgetrokken”.

In uniform zit de hoofdcommissaris aan het hoofd van een meterslange tafel. De perskamer op het Amsterdamse hoofdbureau van politie is die ochtend in augustus 1994 tot in de vensterbanken gevuld met journalisten. Ze hebben bloed geroken. Eén dag eerder zijn de wel zeer riante arbeidsvoorwaarden van de korpschef in de openbaarheid gekomen en nu komen ze zijn wanhopige uitvluchten optekenen.

Maar dan komen ze toch bedrogen uit. Tijdens de bijeenkomst keert de hoofdcommissaris de tafel als het ware om. Al spoedig gaat het gesprek niet meer over zijn salaris, maar over de parlementaire enquête naar de IRT-affaire die Nordholt verlangt. Drie maanden eerder heeft de commissie-Wierenga de schuld voor de ontbinding van het Interregionaal Rechercheteam Noord-Holland/Utrecht bij het Amsterdamse politiekorps gelegd. De hoofdcommissaris was verbijsterd. Een parlementaire enquête zal, verzekert hij de journalisten, de waarheid aan het licht brengen. En de waarheid, daar kon geen twijfel over bestaan, dat was zijn waarheid.

Op een tentoonstelling in een van de gangen van het Amsterdamse stadhuis hangt een foto van Erik Ernst Nordholt (56). Het portret is karakteristiek. De hoofdcommissaris is in uniform, de handen liggen op tafel, de vingers ineengevlochten, de ogen staan vertrouwenwekkend ernstig. “Je moet me typeren als een Noorderling”, luidt het bijschrift. “Per slot heb ik altijd op een dorpje daar gewoond. Maar er is iets met mij gebeurd, een wonder haast. De Noorderling is stadsmens geworden.”

Toen de noorderling Nordholt in 1987 door burgemeester Van Thijn met het gouden contract naar Amsterdam werd gelokt, had hij een bliksemcarrière achter de rug in Groningen. Hij was daar al tot commissaris bevorderd voordat hij alle kanten van het politie-vak (bijvoorbeeld het recherchewerk) had gezien. Toenmalig burgemeester H. Buiter, zijn korpsbeheerder: “Hij stak met kop en schouders boven de anderen uit. We waren bang dat een ander korps hem zou wegkapen.” In 1984 werd hij tot hoofdcommissaris benoemd.

Ook was hij in Groningen doctorandus in de sociologie geworden. Prof.dr. I. Gadourek, toen directeur van het sociologisch instituut van de Rijksuniversiteit van Groningen, kan zich de student Nordholt nog goed herinneren. “Hij kwam op mijn spreekuur om te vragen of ik het goed vond dat hij zijn colleges in uniform zou volgen. Ik vond het goed en zo zat hij voortaan geüniformeerd in de collegezaal.”

N ordholt bleef zijn tuniek con sequent dragen. Begin jaren tachtig was in Amsterdam de gewoonte afgeschaft dat de korpschef een uniform droeg als hij de vergadering van de gemeenteraad bijwoonde. Nordholt voerde die weer in. Zo straalde hij gezag uit op de buitenwereld en liet hij zijn korps - “mijn dienders”, zoals hij ze noemt - zien dat hij een van hen was.

Deze houding maakte hem onder agenten razend populair. F. Wijts, die in Groningen enige jaren als hoofdagent onder Nordholt werkte: “Het was een man die ook op de werkvloer kwam. En als hij eenmaal je naam gehoord had, vergat hij die niet meer.” J.W. Bakker, oud-hoofdcommissaris van Apeldoorn, prijst de manier waarop Nordholt omging met zijn Amsterdamse korps. “Wij hadden muziekuitvoeringen, steden deden dat om de beurt. Tijdens het défilé van het korps stond de korpschef dan naast de ontvangende burgemeester. Erik was een van de zeer weinigen die dan na afloop naar zijn mensen toeging en zei: 'Jongens: goed gedaan. Jullie staken met kop en schouders boven de rest uit.' De meeste korpschefs verdwenen meteen met de burgemeester naar de receptie.” Het uniform werd ook een handelsmerk in contacten met de media. Hieraan heeft Nordholt altijd veel waarde gehecht. Al in 1970 schreef hij in een klein sociologisch onderzoek over de verhouding burgerij - politie dat goede contacten tussen politie en pers “cruciaal” waren. De liefde was wederzijds. Zo'n intelligente politieman met charme en een 'bijna spirituele uitstraling', zoals een van zijn vrienden het omschrijft, is zeldzaam. Toen eind jaren '80 'veiligheid' en 'criminaliteit' issues werden zochten de media fotogenieke figuren om erover te vertellen en ze vonden Nordholt.

“Hij ging perfect met de pers om”, zegt M. Hoeksum, redacteur van het Nieuwsblad van het Noorden, die Nordholt in zijn Groningse tijd goed leerde kennen. “Je had nooit het gevoel dat je werd gebruikt. Hij weet heel precies wat hij op welk moment in welk medium moet brengen. En wat niet. Toen hij van Groningen naar Amsterdam vertrok, wilden wij hem fotograferen op een paard op de Dam. Hij weigerde. 'Denk je dat ze me dan nog au serieux zouden nemen in Amsterdam', zei hij.”

B egin jaren negentig leek Nordholt niet meer weg te branden uit de publiciteit, die hij gebruikte om kritiek uit te oefenen op het overheidsbeleid. Zijn uitspraken betroffen bijvoorbeeld het toenemende gevaar van rassenrellen (1991), het falende minderhedenbeleid van de overheid waarvoor de politie de rekening moest betalen (1992), het 'lozen' van criminele jongeren door de Antilliaanse overheid (1993) en de corruptie in de politiek (1993). Ook de hoofdcommissarissen van de andere drie grote steden lieten zich niet onbetuigd en eind 1993 ontvingen de vier gezamenlijk de Machiavelli-prijs voor communicatie. Oud-burgemeester Buiter van Groningen: “Van Thijn heeft in zijn enthousiasme Nordholt laten weglopen. Bij mij heeft hij dat nooit gedaan. Dan had ik ook wel gezegd: En nu is het uit, ik ben de burgemeester. Nordholt zei nooit nee als de media hem iets vragen. Hij vond het wel mooi ook, hè.”

Eigenzinnig is Nordholt altijd al geweest. In 1985 zou de terroristische groepering van Abu Nidal het hebben voorzien op joodse doelen in Nederland. Alle Nederlandse politiekorpsen kregen van de minister van binnenlandse zaken Rietkerk de opdracht de synagoges te bewaken. En alle commissarissen deden het, behalve hoofdcommissaris Nordholt van Groningen. Als de dreiging zo ernstig was als Binnenlandse Zaken voorgaf, dan had hij pantservoertuigen en automatische wapens nodig, anders was de opdracht volgens hem onuitvoerbaar. “Ik laat mijn dienders niet gebruiken als schietschijf.” Dat de andere korpschefs allemaal hadden toegestemd, zei hem niets. Zijn eigen oordeel was hem genoeg.

T ijdens de parlementaire en quête bleek dat Nordholt de laatste twee jaar de Raad van Hoofdcommissarissen niet heeft bezocht. Toen minister Dijkstal (binnenlandse zaken) dit vernam, kondigde hij onmiddellijk aan dat hij Nordholt de opdracht zou doen toekomen weer met zijn collega-korpschefs in overleg te treden. In de IRT-affaire keerde de eigengereidheid zich tegen Nordholt en zijn korps. Had Nordholt gelijk toen hij besloot het Rechercheteam Noord-Holland/Utrecht abrupt te ontbinden, geschrokken door de uit de hand gelopen opsporingsmethoden? Of waren hij en zijn korps zelf de oorzaak van de grondig verstoorde verhoudingen binnen het rechercheteam? De commissie-Wierenga trok die laatste conclusie. D. van Dop, hoofd Divisie Georganiseerde Misdaad in Midden- en West-Brabant, kan dit begrijpen. Hij schrok zich wild toen hij bij een oriëntatie op zijn nieuwe functie een werkbezoek bracht aan het IRT. De Amsterdammers duiden hun Haarlemse collega's aan als “de boerenpolitie”. “Ik vroeg me af hoe ze dan wel niet over ons zouden praten.”

De Amsterdamse gemeenteraad stelde zich na 'Wierenga' pal achter Nordholt. Oud-raadslid Van der Stoel: “Juist omdat ze in Den Haag hadden gezegd, het zijn die arrogante rot-Amsterdammers geweest die niet wilden samenwerken. Zo simpel kon het niet zijn.” Bij een bezoek van Nordholt aan de raadscommissie, enkele dagen na het IRT-debat, riep een raadslid pathetisch uit: “Ze moeten met hun rotpoten van onze rotcommissaris afblijven.” Alleen B. Robbers, de politiewoordvoerder van D66, stond op en verklaarde dat Nordholt moest vertrekken.

T wee jaar lang heeft het oor deel van Wierenga op Nordholt en zijn korps gedrukt. Het waren moeilijke jaren voor hem, zeggen degenen die hem goed kennen. J. Wallage, fractievoorzitter van de PvdA in de Tweede Kamer: “Je merkt wel dat dat met het klimmen der jaren ook voor hem een last is. Hij is minder vrolijk, maakt minder grapjes. En zijn woede is groter.”

Gaandeweg de verhoren van de parlementaire commissie onder Maarten van Traa werd duidelijk dat de 'werkmethodiek' van het IRT - het importeren en doorlaten van tonnen softdrugs via een infiltrant - en vooral het gebrek aan controle hierop ('wie runt wie?') de opheffing van het team rechtvaardigde. Nordholt kreeg zijn gelijk alsnog. Hij is gerehabiliteerd, zegt B. Robbers, die destijds in de Amsterdamse raad zijn aftreden eiste. Een maand geleden sprak hij de hoofdcommissaris over deze kwestie. “Hij kon mijn reactie van toen wel billijken. Alleen had ik die 's avonds voor de televisie nog wat aangescherpt, zei hij, en dat had hem zeer gekrenkt. 'Ik weet niet meer hoe ik het toen heb gezegd', antwoordde ik. 'Ik kan het je laten zien', zei Nordholt. 'Ik heb de videoband bewaard.”

Ook anderen beschouwen Nordholt als de voorlopige 'winnaar' van de enquête. Oud-PvdA-Kamerlid P. Stoffelen: “Het beeld dat Amsterdamse agenten onbekwame, onbetrouwbare, praatzieke en corrupte agenten zijn, is rechtgetrokken - en dat is een vorm van gerechtigheid.” J.W. Bakker: “Nordholt is er sterker uitgekomen. Zijn hoofd staat niet op het spel.”

Wel stuitte Nordholts optreden bij Van Traa op kritiek. De aanblik van de tot het uiterste geconcentreerde politiechef wekte bij velen de indruk van een wraakzuchtige verbetenheid. De Brabantse politieman D. van Dop vond het stuitend dat Nordholt dreigde af te treden als de IRT-methoden door Van Traa zouden worden goedgekeurd. “Twee jaar geleden had hij moeten zeggen: Okee, als iedereen het niet met mij eens is, dan maar zonder mij. In plaats daarvan stapte hij toen als een klein kind naar de publiciteit.”

Van Dop vindt dat Nordholt zelfs na de enquête niet kan worden vrijgepleit van enige verantwoordelijkheid voor de affaire. “Wat mij heel erg heeft verbaasd is dat hij zo weinig heeft gedaan om de zaak bij elkaar te houden. Ga een week op de klei of op de hei zitten, vecht het daar uit. En kom je er niet uit, leg het dan aan de bewindslieden voor. Ik vind dat Nordholt voor dat niveau, voor dat salaris, absoluut niet genoeg moeite heeft gedaan.” Maar volgens hoofd van het openbaar ministerie Docters van Leeuwen, die Nordholt goed kent, kan de Amsterdamse hoofdcommissaris niets worden verweten. “Het is een man die goed kan luisteren. Maar dan moet hij daar wel de kans voor krijgen. In die zaak heeft een aantal mensen zich onvoldoende verantwoord, onvoldoende overlegd. Dan is er niet voldoende communicatie en ontstaan er conflicten.”