Eenvoudige vissers met poëtische kanten

De dinosaurussen zijn niet uitgestorven. Hun nazaten jagen op kruimels appelgebak op terrassen, bedelen bij hengelaars om vis en stampen rond op uw dak: vogels. De stad is vaak de beste plek om ze van dichtbij te zien. Vandaag kijken we naar blauwe reiger, aalscholver en fuut.

Reigers vliegen op een manier die voor heel weinig vogels is weggelegd: met een S-bocht in de hals, de kop behaaglijk steunend op een kussen dat gevormd wordt door de nek en de rug. Als vanuit een fauteuil kijkt de reiger rond. Maar hoe is die reigernek ooit ingeklapt? Je kunt je geen vogel voorstellen die van de ene op de andere dag besluit het eens te proberen. Een tussenliggend stadium - de kop half omhoog geklapt - zie je ook niet voor je.

Aan het begin van de jaren zeventig was de blauwe reiger nog vrij bijzonder. Toen werd er nog gewaarschuwd dat hij, door opgeslagen kwik in zijn vetreserves, bij de eerste de beste ouderwetse winter uit zou sterven. Dat is hard meegevallen. Blauwe reigers - groot en grijs - zie je nu haast overal waar maar watertjes te vinden zijn. Of mensen. Reigers hebben als viseters een ruime taakopvatting, en balanceren met muizen en eendekuikens hun dieet verder uit. Maar ook verschaft voedsel is welkom. Stadsreigers zijn opgerukt naar tuinen, waar zij aan de keukendeur de voedselverstrekking afwachten. Onlangs is de eerste vogel ìn een keuken gesignaleerd. Het wachten is nu op de eerste reiger die eigenhandig de koelkast openmaakt.

De rustende blauwe reiger, verstild op één poot, wekt de indruk een grijze denker te zijn. Maar zijn wat reptielachtige oogopslag doet iets aan het effect af. Echt primitief is de kop van de aalscholver - dit is een oervogel. En een oerhollandse, die na vele slechte jaren weer op veel plaatsen te zien is. Hij is een koloniebroeder, met zijn zwaartepunt rond het IJsselmeer. Maar de vogels vliegen heel wat af door het land, en er komen ook nog eens jonge zwervers uit het buitenland langs. Een enkele keer daalt een aalscholver af om in het stadswater te vissen, en zorgt bijvoorbeeld in het Vondelpark voor een oploopje. Maar dit is meer een vogel van het open water en de grote rivieren. De Rotterdamse Kralingse Plas heeft hem permanent te bieden, en met het schoner geworden Rijnmondgebied is de aalscholver ook weer vertrouwd. Hij valt op als grote, donkere vogel die op grote hoogte vliegt of juist laag en snel over het water, met ver naar achter stekende staart. Hij zwemt met argwanend opgerichte snavel, ligt diep en duikt regelmatig tot een halve minuut onder. Rustende aalscholvers maken zich heel herkenbaar. Dat doen ze door in rechte houding de vleugels zijwaarts te houden, als exhibitionisten in zwarte regenjassen. Vroeger kon je in vogelboekjes lezen dat ze dat deden om na het duiken hun veren te drogen. Maar dat idee bleek hopeloos naïef. Diverse generaties ornithologen hebben het vraagstuk verfijnd. Misschien gaven de dieren zo juist wel aan dat ze op deze plek met succes gevist hadden; hielden ze zich zo in evenwicht omdat ze verder wat wankel gebouwd waren; of was dit een noodzakelijke houding voor inwendige visverwerking. Maar recent onderzoek toont definitief aan waarom de dieren het doen: om hun vleugels te drogen.

Indrukwekkend alledaags is de fuut geworden - zelfs in de stad en op kersverse nieuwbouwsingels. De fuut is kleiner dan de aalscholver, en overwegend roodbruin. Ook hij duikt vaak. In de winter is de baardvormige kopbegroeiing verdwenen, en is de kuif een stuk kleiner - de kop is dan opeens erg plat. Een ijzersterke kant van futen is hun balts. Het onderdeel 'dicht tegenover elkaar nee-schudden' zie je het vaakst. Maar soms komt het hele ritueel langs, compleet met van elkaar wegzwemmen en op stilzwijgende afspraak - en zonder omkijken - synchroon onderduiken. En natuurlijk de pinguindans: watertrappelend borst-aan-borst uit het water rijzen, onder het vol poëzie overreiken van een stukje waterplant. En dat alles zomaar tussen oude matrassen, half verdronken fietsen en gedumpte huis-aan-huis bladen. Het moet gezegd - het opvallendste geluid van futen, een verbolgen 'haoorgh', steekt wat prozaïsch bij ze af. Als u een vogelkop ziet zwemmen, dan is die van een fuut. Een fuut die niet gerust is op de buitenwereld laat soms alleen de kop boven water komen, als een gekuifde periscoop.

Speciale stadsrisico's: rondvaarten en dierentuinbezoek. Het is bewonderenswaardig hoe watervogels laveren tussen druk vaarverkeer. Maar aalscholvers en futen hebben een handicap: zij moeten duiken. In een halve minuut kan er op het water tegenwoordig veel gebeuren - rondvaartboten worden steeds sneller. Soms komen de dieren vlak voor zo'n boot boven, en moeten in een seconde beslissen wat te doen - weer onderduiken, of moeizaam over het water lopend opvliegen. Vissen is zo niet rustgevend meer. Blauwe reigers worden soms het slachtoffer van een gebrek aan risico's in de stad. Van roofdieren hebben ze er niets te vrezen, en ze zijn er dan ook nauwelijks meer bedacht op. Dat breekt ze op in de stadsdierentuin, waar ze ook onvervaard komen rondstappen. Verveelde dierentuindieren - van leeuwen en lynxen tot zelfs otters - vermaken zich enorm met het onderscheppen van zo'n bevredigende hap veren.