DE SNELSTE WEG IS DOOR HET MIDDEN

Ellen Kuipers weet wat ze wil. “Ik ben behoorlijk eigenwijs en durf voor mijn mening uit te komen.” De zelfbewuste spits begint woensdag met het nationale hockeyteam aan het olympische kwalificatietoernooi in Zuid-Afrika. “Als wij daar niet als eerste eindigen, heb ik gefaald.”

Of hockey zaligmakend is? Ellen Kuipers twijfelt even, schudt het hoofd en zegt vervolgens met een stem vol overtuiging: “Nee, niet bepaald. Een doelpunt maken wel. Dat bezorgt mij pas echt een zaligmakend gevoel.” Voor de trefzekere spits van het nationale team is hockey een ontspannen manier van tijdverdrijf, zij het een ontspanning met een opdracht: scoren. “Ik ben niet afhankelijk van het hockey en zal dat ook nooit worden. Het is en blijft een amateursport, vergeet dat niet. Daarom kan ik het allemaal makkelijk van me afzetten en het een en ander eenvoudig relativeren. Buiten het veld vind ik het dan ook nauwelijks interessant om over die sport te praten.”

Waarmee de 24-jarige aanvalster niet wil zeggen dat hockey haar volkomen koud laat. “Maar dat kan ook moeilijk anders. De afgelopen weken heeft alles in het teken van de voorbereiding op Zuid-Afrika gestaan.” In Kaapstad moet het nationale team in een veld van acht bij de bovenste vijf eindigen om zich te verzekeren van deelname aan de Spelen. Maar toch. Praten over haar studie Stedenbouw maakt meer emoties los dan oeverloos gefilosofeer over haar sportbeoefening. Kuipers kan als het moet uren vertellen over haar artistieke inzichten, opvattingen die niet altijd stroken met de heersende meningen op de Utrechtse kunstacademie. “Zo stem ik - anders dan de meeste anderen - mijn ontwerp altijd af op de functie. Wat dat betreft ben ik heel rechtlijning en zakelijk ingesteld. Als ik iets wil, wil ik dat ook bereiken.”

Datzelfde pragmatisme openbaart Kuipers op het kunstgras. Het spel van de centrumspits van Kampong oogt in veel gevallen creatief, maar wordt grotendeels bepaald door haar credo dat de snelste weg naar het vijandelijke doel recht door het midden is. “Die manier van spelen zit in mijn karakter opgesloten. Noem het intuïtie. Zonder omwegen recht op het doel af.” Tegenstanders worden daarbij niet zelden verrast doordat Kuipers soms grote delen van de wedstrijd onzichtbaar is en nauwelijks deelneemt aan het spel. “Niets is mooier dan je tegenstander in slaap sussen om vervolgens toe te slaan. Ik heb een hekel aan lopen. Het liefst sla ik de warming-up over, net als dat uitlopen na een wedstrijd. Omdat ik talent heb, ben ik zo nu en dan wat lui en kom ik misschien wat nonchalant over in het veld. Maar misschien is dat wel het kenmerk van een echte spits.”

Kuipers staat te boek als een mondig en eigenzinnig type, een grillige persoonlijkheid voor wie de eigen denkbeelden heilig zijn. Dat maakt de 28-voudig international uit het Gelderse Hattem niet altijd even geliefd bij coach en collega's. Een lastpak? “Zo ervaar ik dat niet, omdat ik denk dat ik vaak het gelijk aan mijn zijde heb. Ik ben behoorlijk eigenwijs en nogal wispelturig. Niet bewust, dat niet. Ik ben niet de rebel om het 'rebel-zijn'. Maar ik weet wat ik wil en durf daarbij voor mijn mening uit te komen. Het is mijn manier van sport bedrijven.”

Na het WK van vorig jaar in Dublin, waar de nationale ploeg de wereldtitel verspeelde en op een teleurstellende zesde plaats eindigde, besloot Kuipers een punt achter haar prille interlandcarrière te zetten. Het opstappen was mede een protest aan het adres van de hockeybond. Volgens Kuipers hadden de bestuurders verzaakt in te grijpen toen vier speelsters - onder wie Kuipers zelf - in de aanloop naar de wereldtitelstrijd in opstand kwamen tegen de aanpak van de onervaren bondscoach Bert Wentink. “Maar bovendien was ik het plezier in het hockey totaal verloren. Veel dingen stonden mij tegen. Ik heb zo mijn eigen ideeën over hockey. Dat betekent niet dat die ideeën ook meteen de beste zijn, maar ik wil ze wel kunnen uiten. Dat kon niet en dus kon ik mezelf niet meer zijn. Op dat moment vroeg ik mij af of ik überhaupt wel geschikt was voor het bedrijven van topsport. Maar toen moest ik een daad stellen. Bedanken was op dat moment het beste.”

Vlak nadat Kuipers met Kampong de tweede landstitel op rij behaalde, ontving ze een uitnodiging voor een rentree. Niet bondscoach Tom van 't Hek, maar diens assistent Robbert Delissen was de drijvende kracht achter de invitatie waar ze naar eigen zeggen zonder enige twijfel op inging. “Waarom had ik moeten twijfelen dan? Omdat ik toevallig een relatie met Tom heb en met hem samenwoon? Kom zeg! Wij kunnen ons privé-leven en het hockey prima van elkaar scheiden. Daar zijn wij beiden volwassen genoeg voor.”

Kuipers klinkt plotseling streng, vermanend bijna. Vragen over haar verhouding met de oud-international die de afgelopen drie seizoenen ook al haar clubcoach was bij Kampong, vermoeien de zelfbewuste spits. Maar ze gaat de vragen niet uit de weg. “Tom en ik gaan er heel open mee om. Die houding voorkomt problemen. Op het veld is hij mijn coach, zoals iedere andere coach dat zou zijn en ben ik voor hem één van de zestien, die hij net zo behandelt als de overige vijftien.” Meer woorden wil Kuipers er niet aan wijden, al erkent ze dat Van 't Heks lange staat van dienst als hockeyer zijn overwicht als coach versterkt. “Als Henk uit Lutjebroek bondscoach was geweest, zou dat anders zijn geweest. Maar dit interview draait toch om mij, om de hockeyster Ellen Kuipers. Niet om bijzaken, dacht ik zo. Als jij Marc Overmars spreekt, vraag je toch ook niet naar z'n vriendin?”

Bovendien, benadrukt ze, trekt ze toch haar eigen plan. “Ik heb geen tijd voor dat soort zaken omdat ik een doel voor ogen heb. Zoals nu in Zuid-Afrika: de eerste plaats, topscorer van het toernooi, noem maar op. Ook al is hockey een teamsport, toch ben je in veel opzichten heel individueel bezig.” De overtuiging waarmee Kuipers spreekt, lijkt exemplarisch voor het herwonnen geloof in eigen kunnen van het nationale team. Na vijf magere jaren, waarin de ploeg afgleed naar de internationale middenmoot, herstelden de vrouwen zich ruim vier maanden geleden met het winnen van de Europese titel. “We hebben weer zelfvertrouwen. Als je dat hebt, mag je dat in het veld uitstralen. Een beetje arrogantie kan nooit kwaad.” Hoewel een plek bij de beste vijf volstaat, telt voor de eerzuchtige soliste alleen de eerste plaats in Kaapstad. “Als wij daar niet in slagen, heb ik gefaald.”