Chemins klinken als compositieles aan het slot van Berio-festival

Concert: Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Daniel Harding en Luciano Berio; Doelenensemble o.l.v. Arie van Beek. 10/11 De Doelen Rotterdam.

Het is moeilijk een hedendaagse componist te vinden die zo overtuigend het begrip musiceren belichaamt als Luciano Berio, zo stelde Mario Bortolotto dertig jaar geleden vast. Hij doelde op Allelujah II voor vijf orkestgroepen, dat in het komende Holland Festival op het programma staat. Maar nog meer is dat begrip 'musiceren' van toepassing op het recentere vijftal Chemins, dat in De Doelen de kern uitmaakte van 'De Nacht van Berio' - de bekroning van het festival ConSequenze. Voor Italiaans-gezellige drukte zorgde een componeerproject door muziekschoolleerlingen in de hal van De Doelen en uitvoeringen van Berio's vioolduetten in de foyers.

“Aangezien we de mysteries toch niet kunnen begrijpen, kunnen we beter doen alsof we ze zelf hebben georganiseerd,” stelde Cocteau vast. Berio sleept in zijn solo-Sequenza's, waarop de Chemins zijn gebaseerd, er van alles bij: de geschiedenis van de muziek in het algemeen en die van de instrumenten in het bijzonder. De Chemins zijn niet zozeer mysterieus, wel luisterrijk als demonstratie van wat componeren in de oorspronkelijke betekenis van het woord - samenstellen - kan inhouden. Ze zijn niet van het niveau als Berio's Passaggio, Sinfonia of Coro, maar klanktechnisch minstens zo interessant, overweldigend vitaal en vooral instructief: een openbare compositieles.

De Sequenza VI voor altviool is één van de dichtst gecomponeerde en daardoor alleen al aantrekkelijk om op voort te borduren. De Chemins II, IIb, IIc als III zijn ervan afgeleid. Met Chemins II ontstond een hyperverfijnde kamermuziek voor slechts negen instrumenten. Ondanks de toegewijde uitvoering door het Doelenensemble viel die opmaat minder gelukkig uit: te vaak verwaaiden al die subtiel toegevoegde zijweggetjes in de Grote Zaal.

Daarentegen denderde Chemins IIb met het Rotterdams Philharmonisch Orkest op volle toeren de Doelenzaal binnen alsof de remmen van een zware truck het hadden begeven. Dat lag niet aan de logge uitvoering onder Daniel Harding - deze nog maar 20-jarige assistent van Simon Rattle controleerde het orkest wel degelijk op een superbe wijze - maar was inherent aan Berio's uitgangspunt: een maximale uitvergroting van de altvioolsolo.

Een Nederlandse première betekende Chemins V uit 1992, geïnspireerd op de gitaar-Sequenza XI, een van de mooiste in de reeks ondanks de lange voorgeschiedenis van componeren, schrappen, componeren. Het koloriet is zeldzaam verfijnd in originele vondsten zoals het plaatsen van de accordeon als trait d'union tussen blazers en strijkers en het gebruik van harpen, getokkelde celli en marimba als klankbord voor de gitaarsolo.

Het vrije prelude-karakter (solist Eliot Fisk leek meermalen te improviseren) verklaart wellicht waarom Berio zich hier meer dan in de andere Chemins liet verleiden de basisgegevens te laten voor wat ze waren. Die mix van fantasie (in een onvoorspelbare voortzetting) en logica (Berio komt toch altijd weer uit het labyrint) werkt adembenemend.

Berio sleept je soms meer mee door de manier waarop hij componeert, flitsend virtuoos en met enorme flair, dan door wat hij nu precies componeert. De Chemins zijn geen blikopener voor de ziel, wel een lumineuze ervaring. Genieting zonder diepgang, altijd te prefereren boven het omgekeerde.