Barbaren op het Internet

Naar verluidt raast een bovengemiddelde hoeveelheid contactgestoorden over de elektronische snelweg. Daar kan men zich wel wat bij voorstellen. Wie mensenschuw is, gaat liever een avondje uit in de digitale stad. De Doors of Perception waren afgelopen week geopend in Amsterdam. Onder deze psychedelische noemer hadden zich honderden mensen verzameld om over het gebruik van moderne informatietechnologie te denken. De onbevangen bezoeker had het gevoel een geheel nieuwe wereld te betreden. Moeilijk grijpbare onderwerpen als 'beyond being there' en 'virtual communities' werden met gemak besproken.

Veel van de aanwezigen zien in Internet een elektronisch esperanto die het mogelijk maakt zonder aanzien des persoons een dialoog te voeren. Deze ongecensureerde maalstroom van tekst en beeld is ontegenzeggelijk een vorm van vrijheid, althans een ondermijning van autoriteit. Want de horizontale aard van de netwerken laat zich niet gemakkelijk vangen in een verticale gezagsverhouding. En precies daarop is de hoop van velen gevestigd.

Maar in dat 'zonder aanzien des persoons' ligt ook een risico. De anonimiteit in de digitale stad is een verheviging van het langs-elkaar-heen in de tastbare stad. De vraag is gerechtvaardigd welk soort betrekkingen in een dergelijke virtuele gemeenschap ontstaan. Is het mogelijk om in zo'n omgeving een gedeelde morele code tot stand te brengen, een minimale overeenstemming over goed en kwaad?

Maar, zo kan men tegenwerpen: is het verschil tussen 'werkelijk' en 'virtueel' wel zo duidelijk? Er is nu eenmaal een al te menselijk verlangen om gepaste afstand te bewaren. Hoeveel echtelijke ruzies worden niet per telefoon beslecht? Bovendien is elke gemeenschap van een iets grotere schaal dan het gezin of een buurt, al snel een verzameling van mensen die elkaar nooit zullen ontmoeten. Hier komt het woord Fernstenliebe van Nietzsche in gedachte, dat hij gebruikte om het gevoel van nationale saamhorigheid mee te typeren. Toch bestaat een gemeenschap niet alleen bij gratie van een lingua franca, maar heeft ook een rechtscultuur nodig, een gedeelde herinnering en een binding aan een grondgebied. In een meer algemene zin worden gemeenschappen gekenmerkt door een ruimtelijk verankerde lotsverbondenheid, zonder dat de leden van zo'n gemeenschap ook in direct contact met elkaar hoeven te treden. De Duitse filosoof sprak niet voor niets over Fernstenliebe.

Daarmee vergeleken is de virtuele gemeenschap karig. Internet is een soort dark room: veel vluchtige contacten en hier en daar een akelig virus. Net zomin als de dark room het symbool van de seksuele bevrijding is, kan Internet als de voorafschaduwing van een global village van vrije burgers worden gezien. De aanduiding van de communicatieve ideaal als een 'dorp' is een onbewuste erkenning van het gemis aan werkelijke nabijheid. Naarstig werd op de conferentie gespeurd naar zoiets als een 'anonieme identiteit'. Ergens in deze schemering verdwijnen stabiele morele codes, waarop samenlevingen gebouwd zijn en waarvan elk duurzaam netwerk afhankelijk is.

Francis Fukuyama wijst daar op in zijn nieuwe boek Trust: “Netwerken kunnen alleen efficiënter functioneren op basis van een hoog niveau van vertrouwen en het voorhanden zijn van gedeelde morele normen tussen de deelnemers aan een netwerk. Het belang van sociaal plichtsbesef moge verrassend zijn voor de computerskrakers die Internet hebben gebouwd - doorgaans vrije geesten die elke vorm van gezag wantrouwen - maar netwerken zijn bij uitstek kwetsbaar voor normloos en asociaal gedrag.”

De illustratie van zijn woorden ligt voor de hand. Toen Internet nog een communicatiemiddel was van de academische wereld, die zich gebonden wisten aan een bepaalde beroepsethiek, functioneerde het optimaal. De schrik was niet gering toen grove geesten met reclame, pornografie en extremisme het universum van Internet binnendrongen. Nu veelsoortige barbaren aan de poorten van de elektronische snelweg kloppen, weerklinkt de roep om controle. Kan bijvoorbeeld het antisemitisme vrijelijk verspreid worden of moet er censuur plaatsvinden? En hoe kan het netwerk veilig worden gemaakt voor commerciële transacties?

Elke belangrijke technologische verandering gaat vergezeld van diepe angsten en torenhoog geloof. Bij een eerste kennismaking valt vooral het wereldverbeterende karakter van de deelnemers aan de Doors of Perception op. Nu pas is me de achtergrond duidelijk van de Philips-leuze 'Let's make things better'. De geitenwollen sok en de zakenman hebben elkaar gevonden in een nieuw conformisme.

Misschien is het een welkome afwisseling om eens mensen te aanhoren die niets willen weten van vragen zonder antwoorden. We zien de terugkeer van het 'ingenieurs-socialisme' van de jaren dertig in een geheel nieuwe, interessante vorm. Het waren voor de oorlog de ingenieurs, de planners bij uitstek, die een natuurlijke verwantschap voelden met het socialisme. In de jaren negentig viert de maakbaarheid een spectaculaire triomf in de wereld van design en informatietechnologie, terwijl het in de politiek door vrijwel niemand meer wordt aangehangen. Onbekommerd werd op de conferentie gesproken over 'designing desires' of een 'community creation kit', wat me een onvertaalbare wens lijkt.

Internet is een intrigrerende toepassing van de informatietechnologie. Tegelijk is duidelijk dat Internet vooral een voertuig is ten dienste van de 'totale mobilisering' van de wereld in een vierentwintiguurs economie. Wat de beschavingseffecten van deze wereldeconomie in wording zullen zijn is allerminst duidelijk; dat ze op den duur niemand onberoerd zullen laten lijkt wel zeker.

De verwachtingen omtrent de positieve gevolgen van globale communicatie zijn hoog. Toch lijkt de kans klein dat Internet het zenuwstelsel van een harmonieuzer wereld wordt. Ook deze technologie schept zijn eigen haves en have-nots. Wie rondkeek bij de Doors of Perception zag een informatie-elite in aantocht, die volledig afkomstig is uit de westerse welvarende middenklasse. Of de ongelijkheid zal afnemen door de nieuwe vormen van communicatie of juist zal toenemen is een open vraag.

Ook de gedachte dat de informatievloed van mensen betere burgers maakt stuit op grenzen. Fukuyama constateert droogjes: “Wijdverbreid is het liberale geloof dat mensen onder de oppervlakte in wezen allemaal hetzelfde zijn en dat meer communicatie zal leiden tot dieper begrip en samenwerking. Helaas is het zo dat grotere bekendheid over en weer vaak minachting oproept en geen sympathie. Zo'n ontwikkeling heeft zich in het afgelopen decennium afgespeeld tussen de Verenigde Staten en de Aziatische landen.”

Dergelijke culturele conflicten zijn geen achterhoedegevechten die de natuurlijke gang naar een wereldgemeenschap begeleiden. Juist het wegvallen van grenzen, zal de behoefte om ze scherper en dichterbij huis te trekken groter maken. De wereldeconomie brengt maar een handjevol wereldburgers met zich mee. De meeste mensen leven naar het adagium: na ons de globalisering.