Zoektocht

IRENE VAN LIPPE-BIESTERFELD: Dialoog met de natuur. Een weg naar een nieuw evenwicht 183 blz., geïll. (door de auteur), Ankh-Hermes 1995, ƒ 29,50

De honger naar het hogere lijkt in de geëxalteerde jaren negentig ook op de boekenmarkt nauwelijks te stillen. Na het stormachtige succes van De Celestijnse Belofte, een New Age-roman over het vibreren naar een gelukzalige toekomst, is nu ook een tweede druk in aantocht van Dialoog met de natuur, de vorige week verschenen spirituele autobiografie van Irene van Lippe-Biesterfeld. De eerste 20.000 exemplaren gaan volgens uitgever Ankh-Hermes zo snel over de toonbank, dat een reeks herdrukken tot 60.000 stuks in voorbereiding is.

Dat succes hoeft niet te verbazen; het komt nu eenmaal niet vaak voor dat een lid van de koninklijke familie een ego-document publiceert, en zeker niet één dat gesprekken met bomen en dolfijnen bevat. Wat veel Oranje-aanhangers bovendien deugd zal doen is dat Irene met dit boek in zekere zin terugkeert naar haar roots. De fascinatie van de vrouwelijke Oranjes voor het metafysisch 'hogere' is immers bekend, van de Krishnamurti-bevlieging van Wilhelmina tot het spiritueel geïnspireerde pacifisme van Juliana. Die occult-adellijke traditie krijgt nu - juist tijdens de regering van haar zakelijke zuster Beatrix - een vervolg met de ooit rebelse Irene. Ook in stijl en vormgeving doet haar boek, geschreven in beheerst Nederlands en geïllustreerd met natuurschilderingen van eigen makelij, denken aan de theosofische mijmeringen die de Nederlandse hogere burgerij en adel in de jaren twintig ten beste gaven, uit het lood geslagen door de stroomversnelling waarin de samenleving was terechtgekomen.

Irene schetst in het boek haar jarenlange zoektocht naar een zinvolle tijdsbesteding, eerst in de maatschappelijke dienstverlening maar dan, als haar spirituele behoefte zich doet gelden (“Ik heb geen zin meer in helpen”), met allerlei technieken van de New Age, waarin ze grasduint als een Nederlandse Shirley Maclaine. De levensbeschouwing die uit het boek spreekt is de kenmerkende New Age-mengeling van reïncarnatiegeloof, holisme en de overtuiging dat de mensheid haar spirituele bestemming nu hard nadert. “Tussen de massa's mensen, velen met doffe ogen, is het verbluffend te zien hoeveel mensen her en der in de wereld hun binnen-lichtjes hebben ontdekt en aangezet”, schrijft Irene. “Ze stralen als engelen, en je vindt ze door alle beroepen en leeftijden heen. (...) Het is helemáál opmerkelijk hoeveel jongeren in de laatste dertig jaar al zó, met hun lichten aan, geboren zijn.” Overigens duiken mensen in dit tamelijk solipsistische boek maar zelden op, en dan hooguit met voornaam.

Tot zover strookt dit boek met het idee dat een sociaal geneutraliseerde adel in het occultisme een uitlaatklep vindt voor zijn eschatologische heimwee naar zinvoller tijden. Toch is Irene, kind van de jaren zestig, moderner dan haar moeder Juliana, namelijk in haar behoefte aan individuele ervaring. Weliswaar gaat het lot van de wereld haar ter harte, maar ze komt allereerst op voor haar individuele recht betekenis te verlenen aan haar èigen leven.

“Ik besefte dat ik, als ieder ander met een ervaren ziel, al heel veel had meegemaakt”, schrijft ze opgelucht, nadat een therapeute haar aura heeft gelezen. “Ik werd een mens met meer dimensies dan je zo in eerste instantie voor je denkt te zien!” Ergens anders schrijft ze: “Je bent dus belangrijk! Je doet ertoe!” En, na een cathartische nacht vol twijfel: “Mijn god, wat ben ik krachtig. Deze nacht is er iets definitiefs gebeurd.”

In welke buitenwijk zouden zulke eenzame scènes vol psychologische zelfkwelling zich niet afspelen? Waarschijnlijk verklaart dat pas wèrkelijk het succes van dit boek: hier is een Oranje aan het woord met zorgen die 'in te voelen' zijn door iedereen die ooit - in de puberteit, de overgang of een andere turbulente levensfase met veel vrije tijd - een introspectief dagboek heeft bijgehouden. Goed, de auteur praat met bomen, dolfijnen en met de zon, maar de beschrijvingen van die ongebruikelijke gesprekken zijn weer alledaags, evenals de antwoorden die ze krijgt (Irene, in Zwitserland: “Hoe kom ik van die hoofdpijn af bij het klimmen?” Zon: “Gewoon, oefenen.”).

Gewoon. En eigenlijk is dit Oranje-document vooral ook een gewoon boek, met gewone-mensen-angst voor de leegte van het leven en gewone-mensen-behoefte aan therapeutische geruststelling. Het eindigt met het desperate optimisme dat menig dagboekenschrijver zal hebben gebruikt om zich moed in te praten: “Ik ben met mijn eigen levenselixer in aanraking gekomen en daarmee met de essentie van alles wat leeft. Voor de eeuwigheid? Ik heb er zin in.” Zo is het - nu kan er eindelijk worden gelééfd.