Yitzhak Rabin

Het mooiste moment in de geschiedenis van de Zesdaagse oorlog valt samen met het mooiste deel in de memoires van Yitzhak Rabin. De verovering van de Klaagmuur in Jeruzalem op de Jordaanse troepen. Het belangrijkste nationale symbool van Israels onafhankelijkheid sinds de bijbelse oudheid, in de onafhankelijkheidsoorlog van 1948 in vijandelijke handen gebleven, was weer fysiek in de joodse geschiedenis teruggezet. De gewone jongens, de dienstplichtigen, huilden in het aangezicht van de Muur, en ook de harde jongens, de generaals, lieten hun tranen lopen. Ook Rabin huilde met zijn mannen. “I knew that never again in my life would I experience quite the same peak of elation”(vervoering en trots). Heel even tilde Yitzhak Rabin het vizier van zijn harnas op om iets van zichzelf achter het professionele masker te laten zien. Heel even liet de 'onbewogen' legerleider de vreugde van het moment op zich inwerken en schaamde hij zich niet een zeldzame gemoedsaandoening te tonen.

De Syrische troepen waren volgens de Israelische inlichtingendienst zo gedemoraliseerd door de overwinning van de Israelische luchtmacht op de Egyptische wapenbroeders dat ze bij de nadering van het Israelische leger als bange geiten uiteen waren gestoven en op de vlucht waren geslagen. De werkelijkheid had zich anders toegedragen, want de Syriërs waren helemaal niet weggestoven. De Israelische inlichtingendienst had alleen incidentele gevallen van desertie verkeerd geëxtrapoleerd. De Israeli's moesten voor elke meter grond vechten om de Golanvlakte onder controle te krijgen. De Syriërs gaven zich pas gewonnen na een hardnekkige strijd en pas toen kon Rabin onderschrijven dat de verovering van de Golanvlakte het 'een na mooiste moment uit de oorlog' was geweest.

De Zesdaagse oorlog was de eerste militaire krachtmeting die overal ter wereld hartstochtelijke voetbalsupportersgevoelens in de mensen wakker maakte. De ontzagwekkende klappen die het Israelische leger en de Israelische luchtmacht in de eerste uren van de strijd aan het Egyptische leger toebrachten, vervulden ook een groot deel van de niet-joodse wereld met een geestdrift die ontelbaar velen de rest van de week met rode oren aan hun radio kluisterden. De onheilspellende retoriek van de verenigde buren van Israel - en vooral de sinistere hyperbolen die deze in de strijd gooiden - dwongen velen tot een mate van partijkiezen die ongetwijfeld werd ingegeven door het besef dat het uur van de vereffening had geslagen. Hussein van Jordanië, dezelfde die de afgelopen week verzoenende woorden sprak aan het graf van Rabin, zou Israel in de pan hakken. Zijn Arabische broeders in Syrië en Irak zouden Israel van de kaart vegen en Nasser zou de Israeli's de zee in drijven.

De wereld wist toen nog niet dat een belangrijk deel van die moordzucht fraseologie was. Niet een van de verenigde Arabische buren wist zijn agressieve ambities waar te maken. De Egyptenaren, die veruit de grootste militaire macht op de been konden brengen, waren trager en slechter georganiseerd dan hun strijdleuzen suggereerden. De Israelische luchtmacht was alle Arabische vijanden van Israel te vlug af geweest en had in één doeltreffende slag de nog op orders wachtende Egyptische luchtmacht met de grond gelijk gemaakt. De snelheid waarmee Nassers luchtbases waren weggevaagd was dermate verrassend geweest dat de Egyptische president in zijn verbluftheid de overtuiging uitsprak dat de Amerikanen hadden meegedaan. Hij kon eenvoudig niet geloven dat een landje van nog geen drie miljoen inwoners zoveel ravage in zijn gelederen had aangericht - en dat geheel op eigen kracht. Na die klap waren de rollen dramatisch omgekeerd. De legeraanvoerders van Jordanië, Syrië en Irak waren hun militaire animo kwijt en van Arabische coördinatie of eenheid was in het geheel geen sprake meer. Op dat moment werd de legende van de onoverwinnelijke macht van de kleine David geboren.

De Israeli's wisten zelf echter maar al te goed dat hun militaire fortuin een dubbeltje op zijn kant was. Naar menselijke berekening had het tevoren godsonmogelijk geleken dat Israel aan de wurgende omsingeling van drie vijandelijke militaire machten zou kunnen ontkomen. Gezien de overmacht aan de vijandelijke fronten en de mogelijkheid dat de Russen niet passief zouden blijven, mocht Syrië in het nauw raken, moesten de Israelische strijdkrachten in hun omsingelde precaire manoeuvreerruimte door de spitsroeden lopen. De Israelische minister van defensie Dayan imponeerde zijn ondergeschikten door zijn gave de spanning gelijkmatig te verdelen: geen schot te vroeg lossen, geen initiatieven nemen die een averechts effect zouden kunnen hebben, zelfbeheersing tonen waar dat geboden was en geen dingen doen die de slapende honden in Moskou konden wekken. Voor sommige Israelische legercommandanten was die behoedzaamheid moeilijk te verteren. Maar Rabin ontdekte dat Dayan door een calculerende behoedzaamheid geleid werd. “Dayan was het toonbeeld van beheerste voorzichtigheid”, schreef hij in zijn memoires (The Rabin Memoirs, London, 1979).

In 1967 zag de chef-staf van de Israelische strijdkrachten al een gevaar in de mythologie over de spierkracht van het kleine Israel. Israel had naar zijn mening enig recht op 'militaire zelfbewustheid', maar het moest oppassen voor de valstrikken van de zelfgenoegzaamheid en de arrogantie. Het kwam er nu op aan dat Israel “zijn spirituele en morele krachten wist te onderhouden”. Het leger mocht zich in de handen wrijven dat het de vernietiging van Israel had afgewend, nog trotser mocht het erop zijn dat het “in het heetst van de strijd zijn menselijkheid had bewaard”. Die woorden zijn nog geen dertig jaar oud, maar het zijn nu al antiquarische termen. Uitgesproken toen het land zijn onschuld nog niet verloren had.