Waarom verdwenen de Duitsers uit Kameroen? Een hotel, een dikke dame en een raadselachtige moord

Aan de Kameroense kust feestten jarenlang de toeristen in Grand Hotel Palm Beach. Maar halverwege de jaren '70 was het afgelopen. De Duitse toeristen bleven plotseling weg. Was het de malaria, de oorlog met de Franse hotelhouders, de rel om de bovenstukjes? Scènes uit het koloniale verleden van Kameroen. Magie, hekserij en dansen op de Makossa.

Kribi, bij zwaar weer. De lucht van de namiddag wordt doorsneden door felle flitsen, de zee wordt opgelicht als een immense kom lauwe chocola, de golven breken schuimend op het bruine zand, roze krabben schieten uit hun holen, de kruinen van de parasolbomen zwiepen heftig heen en weer.

Dit is Duitse romantiek.

Maar zo zagen de Duitsers het nog niet, toen ze honderd jaar geleden besloten deze streek in naam van hun keizer te onderwerpen. Ze troffen een ondoordringbaar en duister oerwoud aan op ronde, bolvormige heuvels met daar achter, richting Sahel, een maanlandschap met bizarre rotspieken. In het tropische kustgebied vonden ze eenvoudige bladerhutten en mistroostige huisjes van rieten daken en geraamten van stengels en kromme latten, opgevuld met hompen vochtige klei. De bewoners waren bantoe's en pygmeeën, die in kleine familieclans door de bossen dwaalden; jagend, verzamelend.

De clans bleven liever uit elkaars buurt, om niet door elkaar te worden opgegeten of te worden overmeesterd en verkocht aan de blanke slavenkopers, die geduldig op hun schepen in de Golf van Guinee dobberden. De slavenkopers, Portugezen, Hollanders, Engelsen, hadden zich uit vrees voor ziekten en kannibalen nooit aan land gewaagd. Op scheepswrakken voor de kust deden ze zaken met de zogenaamde 'koningen van Douala', die hun de slaven brachten en met drank, spiegeltjes en kraaltjes terugkeerden.

Dat ging drie eeuwen goed, totdat de koningen van Douala rond 1880 in het nauw werden gedreven door inlandse warlords en onderling strijdende Europese handelaren, waarop ze besloten de hulp in te roepen van hun ambtgenote in Engeland. In pidgin-Engels schreven ze koningin Victoria een brief met het verzoek om hulp. Victoria reageerde traag, en toen eindelijk een Britse consul in Douala verscheen, bleken de plaatselijke koningen net vijf dagen eerder de 'protectie' te hebben aanvaard van een afgezant van Bismarck.

Wat moesten de Duitsers met een onherbergzame wildernis en een schichtige bevolking die bestond uit meer dan tweehonderd volksstammen, elk met een eigen taal, eigen herinneringen en eigen symbolen en rituelen? De groepen die elkaar voorheen naar het leven stonden werden door de Duitsers pardoes bijeen gebracht in een gloednieuwe, kunstmatige staat: de staat van Kameroen.

Maar anders dan de Fransen en Engelsen hadden de Duitsers geen uitgesproken koloniale missie. Ze waren nauwelijks geïnteresseerd in het brengen van beschaving in dit onderling verdeelde en diep verwarde land, ze voelden niet de plicht om scholen en kerken te stichten. Maar ze deden wel wat ze niet laten konden: ze legden wegen aan.

De Duitsers hielden de bestaande machtsstructuur van chiefs en clanhoofden in stand en gaven hun zelfs bijzondere privileges, zoals het mogen dragen van een rode wollen muts, ten teken dat ze door de Duitsers werden erkend, en het nemen van zoveel vrouwen als ze aankonden. Maar in ruil daarvoor moesten de chiefs jongemannen leveren voor de dwangarbeid; de Duitsers spraken van 'strafarbeid'.

Op de hellingen van de oude vulkanen werden plantages aangelegd en in de zuidelijke bossen vond men wilde rubberbomen, die van groot belang waren voor de opkomende Duitse autoindustrie. In colonnes van soms vijfhonderd strafarbeiders werd de rubber naar de haven van Kribi gebracht en van daaruit naar de autofabrieken in Duitsland. Aan de zeezijde van Kribi verrees de residentie van de Duitse commandant: een statig wit gebouw, met een uitzicht dat vooral bij zwaar weer tot z'n recht komt.

Het gebouw staat er nog en is nu het kantoor van de prefect. De stenen traptreden zijn afgesleten en bij regen levensgevaarlijk, de muren zijn beschimmeld, het meubilair is karig: een paar ijzeren ladenkasten, grote tafels met ijzeren poten en ongemakkelijke houten stoelen. De prefect heeft zijn kamer helemaal verduisterd, alsof de schoonheid van de zee en het strand hem te zeer zou afleiden van zijn belangrijke werk. Hij heeft een streng, patriarchaal uiterlijk, maar hij glimlacht tevreden als hij hoort dat er over Kribi zal worden geschreven. Dat is goed voor het toerisme, want het is erg achteruit gegaan, de laatste twintig jaar. Vroeger kwamen hier wekelijks honderden Duitsers, met chartervluchten uit Frankfurt. En toen was de weg van de luchthaven in Douala naar Kribi niet eens zo goed als nu. Met Duits ontwikkelingsgeld is de verbinding verbeterd, en Kribi heeft alles wat de Duitsers wensen: een vriendelijke, gedienstige bevolking, prachtige stranden en een zee die altijd even warm is.

Waarom de Duitsers ineens zijn weggebleven? De prefect heeft geen idee. Malaria misschien? Onzin, zegt de prefect vinnig, jaren achtereen kwamen hier Europeanen, en toen hoorde je niemand klagen.

Het gerucht wil dat deze kust onveilig is gemaakt door de malaria tropica, die de gevaarlijkste is van alle soorten en zonder tijdige behandeling kan leiden tot hersenmalaria en een onverbiddelijke dood. En het feit dat het toerisme in Kribi in de tweede helft van de jaren zeventig instortte klopt aardig met het gegeven dat zich juist in die tijd een malaria-variant in West-Afrika ontwikkelde die ongevoelig bleek voor de toen bestaande anti-malariamiddelen.

Maar in Kribi gelooft niemand in deze verklaring. Iedereen herinnert zich de gloriedagen van 1968 tot 1975, toen er dag en nacht werd gefeest op de stranden en in de nachtclubs en er tot in de kleinste uurtjes werd gedanst op de 'Makossa', een muziekstijl waar Kameroen wereldroem mee vergaarde. De handel bloeide, vis kon niet in voldoende hoeveelheden uit zee worden aangesleept, vlees moest worden ingevoerd uit het verre binnenland, naar wild ontstond enorme vraag, de pygmeeën kregen geweren om te schieten op stekelvarkens en aapjes die de geheimzinnige delicatessen vormden op de menukaarten van de deftige restaurants, houtbewerkers verkochten al hun maskers en snuisterijtjes, kinderen verdienden goed geld aan gekleurde schelpen en schilden van schildpadden, er was sprake van de komst van nog meer hotels en nog meer eet- en dansgelegenheden en zelfs de president van Kameroen liet aan het strand een vakantiepaleis bouwen.

En toen was het opeens afgelopen en niemand weet waarom. Of beter: iedereen weet het, maar een ieder herinnert het zich anders. De versie van de plotselinge resistentie van de malaria tropica is eigenlijk maar saai, vergeleken met de andere verhalen die de ronde doen. En in al die verhalen komen drie elementen steeds terug: een Duits hotel, een dikke blanke dame en een raadselachtige moord.

Van het hotel is weinig over. Het is het vroegere Grand Hotel Palm Beach, dat in oudere reisgidsen wordt vermeld als de beste en duurste plaats om in Kribi te overnachten, met de strenge toevoeging dat tijdige reservering noodzakelijk is. Nu staan alleen de muren nog overeind, met gaten waar de luchtkoelers in hebben gezeten. Maar de bedoeling is duidelijk: het uitzicht vanaf de plek waar de diners moeten zijn opgediend is adembenemend.

Een paar bouwvakkers zijn bezig een deel van de kamers te restaureren, in opdracht van de nieuwe eigenaar: een hoge militair, de kolonel, zoals het hoofd van de Kameroense veiligheidsdienst hier bekend staat. De kolonel is een vertrouweling van president Paul Biya en oppermachtig, omdat hij net als de president deel uitmaakt van de Broederschap der Rozenkruisers.

Of het hotel weer net zo fraai en degelijk wordt als vroeger betwijfelt een van de bouwvakkers. Dit gebouw is het enige in Kribi dat op heipalen is gefundeerd en alle bouwmaterialen zijn van de allerbeste kwaliteit geweest. Wat met Duits cement is bepleisterd - hij bewijst het door met een hamer op de muur te kloppen - gaat nooit meer stuk. Maar nu werken ze met het plaatselijke cement en dat brokkelt bij het minste en geringste af. En die dansvloer, met die fantastische zwart-witte marmerentegels, die is onherstelbaar beschadigd. 'Maar goed', zegt hij grinnikend, 'zoveel zal hier niet gedanst worden. Dit wordt geen echt hotel meer, maar een geheim ontmoetingscentrum van de Rozenkruisers.'

Als de bouwvakkers het weten zal het allemaal niet zo geheim zijn, maar de Rozenkruisers in Kameroen verbergen zich ook niet echt. Iedereen weet te vertellen over de rituele moorden die de Broederschap de laatste tien jaar begaat, vooral op priesters, van wie de hersenen en geslachtsdelen worden verwijderd om er offers mee te brengen en medicijnen van te maken. Enkele jaren geleden is zelfs de echtgenote van de president op mysterieuze wijze omgebracht, omdat ze gedreigd zou hebben de griezelige praktijken van haar man en zijn medecomplotteurs op te biechten tegenover twee nonnen, die ook al dood werden aangetroffen.

Maar het leven is hier doortrokken van magie en hekserij. Geesten en demonen maken op een vrij gewone manier deel uit van het dagelijkse leven in Kameroen en niet de dood wordt er gevreesd, maar de dode zelf. Soms heeft een dode meer macht dan hij bij zijn leven ooit zou kunnen hebben gehad.

Zo is er het verhaal dat er een vloek rustte op het Palm Beach hotel, omdat het werd gebouwd op een kerkhof. Aanvankelijk zouden de Duitsers een andere lokatie hebben uitgekozen, maar het werd door de president geweigerd, omdat hij daar plannen had voor een eigen paleis. De Duitsers kregen toen deze plek toegewezen, waar enkele graven lagen van vissers, die volgens gewoonte in de grond waren gestopt waar ze stierven.

Sommige bewoners van Kribi reageerden ontsteld toen de armzalige grafstenen werden afgebroken, maar anderen dachten dat de Duitsers niets te vrezen hadden, omdat zij over sterkere geesten beschikten dan de vissers. Toen toch de Duitse hotelhoudster op gruwelijke wijze om het leven kwam en het hotel van de ene op de andere nacht was leeggeplunderd, zonder een spoor van de daders, wist men dat ook de blanken zich moesten schikken naar de wetten van de doden. In 1968 waren de meeste mensen evenwel vooral verheugd: de Duitsers kwamen terug! Dat was het blijde nieuws. Van hun grootouders hadden ze gehoord dat toen de Duitsers in Kameroen de baas waren, iedereen het goed had. Ze straften hard en wreed, dat wist men nog wel. Onwillige arbeiders werden beestachtig afgetuigd en stamhoofden werden gedwongen opstandige collega's van andere dorpen op te eten, om te bewijzen dat ze geen familie waren; volgens de Duitsers kenden kannibalen maar één taboe, en dat was het eten van verwanten.

Op een kwade dag in 1910 was de woede van de inlanders zo groot dat een Duitser zelf werd opgepeuzeld. De Dresdener Zeitung sprak van een afschuwelijk barbarisme en de vader van het slachtoffer riep in een open brief op tot strafexpedities, omdat Duitsland niet kon toestaan dat een Germaanse jongen zoiets walgelijks werd aangedaan door de wilden van Afrika.

Maar het was een uitzonderlijk incident. Over het algemeen konden de Duitsers goede zaken doen met de inlanders en zagen de inlanders de Duitsers als bikkelharde, maar doortastende kolonisatoren. Zeker in vergelijking met de Fransen en de Britten, die in de Eerste Wereldoorlog de Duitsers hadden verjaagd en vervolgens het mandaatgebied hadden verwaarloosd.

Nu kwamen de Duitsers dus terug, na een afwezigheid van meer dan een halve eeuw, en ze voldeden inderdaad aan de hoge verwachtingen. Ze bouwden het riante, moderne hotel met maar liefst tweeënzestig kamers, wat twee keer zo veel was als het tot dan toe grootste Franse hotel in Kribi. Er kwam een parkeerplaats, die wel erg ruim was ten opzichte van het aantal auto's in die tijd, de kamers waren voorzien van kleurige tapijten, zachte bedden, wastafels, ligbaden en luchtkoelers en er was een schitterende eet- en balzaal met een uitzicht, ach: daar hadden de Duitsers tot dan toe alleen nog van kunnen dromen.

De dansavonden waren beroemd, herinnert een oude ambtenaar van Kribi zich. Er was een orkest dat naast de bekende Makossa ook nieuwe muziekstijlen introduceerde: Rock & Roll uit Amerika en Rumba uit Cuba. De hoogste gasten van Kameroen kwamen naar deze avonden, helemaal uit Douala en Yaounde, de heren gekleed in smoking en de dames in glinsterende avondjurken. Er werden Schotse whisky's geschonken en Franse wijnen in kristallen glazen. Alle grote recepties werden in Palm Beach gehouden, ook de installatie van de prefect vond daar plaats, en de prefect was zelf een trouwe gast.

Maar de Fransen in Kribi werden nerveus, vertelt de oude ambtenaar. Het was alsof de Duitsers Kameroen stiekem herkoloniseerden. Vooral de Franse hotelhoudster naast Palm Beach was nijdig, omdat háár hotel vroeger de plaats was waar alle grootse gebeurtenissen plaatsvonden. Nu kwamen alleen lokale vissers eten in haar restaurant.

Deze Franse madame, een corpulente vrouw met veel contacten in de regering, kreeg gedaan dat aan Palm Beach steeds meer restricties werden opgelegd: de schaars geklede Duitse toeristen mochten niet meer over het hele strand gaan liggen, maar moesten zich beperken tot het stukje vlak voor het hotel zelf. Dit leidde tot een ware koloniale oorlog tussen de Duitse en Franse hotelhouders, wat eindigde in de moord op de Franse madame en de daaropvolgende verdwijning van de Duitsers, met alles wat ze naar Kameroen hadden meegebracht.

D e kwestie van de onzedelijke kleding van de Duitsers komt in meerdere versies voor. Nudisme was in Kribi ten strengste verboden, maar de Duitse mannen droegen zwembroeken die niet meer waren dan een paar touwtjes en een lapje en de vrouwen liepen met bloot bovenlijf. De gemoederen in Kribi raakten er danig door verhit. Men vond dat de bewoners van Kameroen net een grote sprong hadden gemaakt in de beschaving door zich te kleden volgens de normen van de Westerse wereld. Alleen de pygmeeën liepen nog naakt rond, waar de Kameroenezen zich overigens diep voor schaamden. En nu trokken de blanken, van wie ze beschaving hadden gekregen, zelf hun kleren uit. Ook oudere mannen en vrouwen!

De prefect greep in en beperkte het zonnebaden tot een klein deel van het strand. Maar volgens oudere inwoners van Kribi hielp dat niet. Het strandtoerisme was in een waar sekstoerisme veranderd. Duitse mannen vrijden met zwarte meisjes op het strand, Duitse vrouwen namen Afrikaanse jongens mee naar hun kamer. In het midden van de jaren zeventig scheen er een langdurige orgie aan de gang te zijn in Grand Hotel Palm Beach. De blanken gedroegen zich steeds decadenter en speelden gevaarlijke spelletjes met elkaar, waar ook de Duitse hotelhoudster aan deelnam. Op een bepaald moment werd het haar echtgenoot of haar partner of haar vrijer - volgens Kameroenezen weet je bij blanken nooit hoe de verhoudingen precies liggen - te veel. Hij vertrok, of stierf aan een hartaanval, dat is niet zeker. En tijdens een pervers feestje werd de Duitse hotelhoudster gedood, door haar eigen landgenoten.

Het opvallende is dat de ouderen in Kribi steevast vertellen dat het drama rond hotel Palm Beach te wijten was aan de Europeanen en dus niets te maken had met Afrikanen, terwijl de jongeren het tegendeel beweren. De meesten die er iets van weten zijn verwanten van het vroegere hotelpersoneel - de personeelsleden zelf lijken van de aardbodem verdwenen - en hun versie is de meest waanzinnige.

De zwaarlijvige hotelhoudster zou een bijzonder autoritair persoon zijn geweest, die zowel haar Duitse echtgenoot als het zwarte personeel tiranniseerde. De kamermeisjes werden geschopt en geslagen, de kelners die werden betrapt op kleine overtredingen werden zonder pardon weggestuurd en het hulpje van de kok belandde eens in het ziekenhuis nadat mevrouw hem met een pan had bewerkt.

Op gegeven moment stierf de echtgenoot, volgens enkelen in het bed van een jonge schoonmaakster, wat de hotelhoudster nog valser en hardvochtiger maakte. Iedere dag werd het regime gewelddadiger en langzaam bleven ook de hotelgasten weg. Soms waren in het regenseizoen alle kamers leeg en draaide het bedrijf uitsluitend op de inkomsten van de eet- en balzaal.

Op een nacht deed mevrouw de lichten van de danszaal uit en liep steunend en zuchtend met de geldkist naar haar kamer. Ze bracht haar verdiensten trouwens nooit naar de bank, omdat ze de banken van Kameroen niet vertrouwde. Intussen kwam het voltallige personeel in de donkere danszaal bijeen en beraamde het plan haar te beroven. Ze slopen naar haar kamer, braken de deur open en verscheurden de Duitse vrouw met hun blote handen. Hierna werd naar de buit gezocht, maar die was onvindbaar. Het matras werd opengehaald, de kussens in stukken gesneden. Geen buit. En toen ook nog een vreselijk noodweer losbarstte maakte zich een vreemde razernij meester van de kamermeisjes en de kelners. Als woeste weerwolven rukten ze wastafels en toiletpotten los, sloegen ruiten en spiegels in, peuterden tegels met hun nagels uit de wanden, en lieten na één lange nacht een totale ruine achter. Een Duitse droom was voorbij en de zee, zo herinnert men zich in Kribi, de zee was bij het gloren van de ochtend opvallend kalm.