Van verre gezien

In verder afgelegen landen worden wij beschouwd als halvegaren.' Deze onvergetelijke zin is in 1956 geschreven door mr. G.B.J. Hiltermann, in het weekblad de Haagse Post. Het waren de dagen van Greet Hofmans. De regering, hoe zullen we het noemen, - naaide het volk een oor aan vind ik te grof - leidde in samenwerking met de hoofdredacteuren van de kwaliteitspers en de populaire pers het volk om de tuin, en de waarheid, afgedrukt in de buitenlandse kranten, werd illegaal de grens overgebracht. Containers had je toen nog niet. G.B.J. trok zich er niets van aan. Alleen al daarom zou hij nog eens een prijs moeten krijgen, maar begin er niet aan. Bijna zeker weet ik dat hij voor de eer zou bedanken, beleefd en beslist. Het was trouwens ook de tijd van Wim Kan, wiens beeld binnenkort, waarschijnlijk 's nachts van het Leidseplein naar Kudelstaart zal worden overgebracht. Wim Kan zei: “En nu meester G.B.J. Hiltermann, hoofdredacteur van de wereld. Hij bespreekt de toestand in de Haagse Post.” Ik haal dit alles op om aan te geven dat de nieuwe generaties niet het monopolie op de goede, de slechte en vooral de tijden der halvegaren hebben.

De openbare verhoren van de Parlementaire Enquêtecommissie zijn afgelopen. Op kantoor hebben we een televisie. We hadden een clubje gevormd dat weleens naar de directe uitzendingen keek als de werkdruk dat toeliet. Het was eigenlijk een soort Teleac waarbij de krant als toegevoegde schriftelijke cursus diende. Maar ik heb het gevoel dat we, ondanks alle overvloed aan info, het niet volkomen hebben begrepen. Wat blijft hangen laat zich vergelijken met een sterk impressionistisch schilderij dat je je uit een droom herinnert, en dat dan plotseling meer op het werk van Jeroen Bosch lijkt. Dat heb je met dromen. Als je, weer wakker zijnde, ze probeert te grijpen, veranderen ze onder je naar binnen gekeerde ogen in iets anders dat niet in woorden valt te vatten.

Het is dus een soort droom. Aan alle grenzen worden onder rijkstoezicht containers met verdovende middelen binnengebracht, in douanedepots zakken opengesneden en weer dichtgenaaid, hier en daar lopen informanten en hoge pieten met zware koffertjes te sjouwen. Daarin zit hun rechtmatige beloning. Je ziet ook fel verlichte plekken. Dat zijn de kwekerijen van het nederwiet, de nieuwe nationale landbouwtrots, nu niemand meer de waterige Nederlandse tomaten wil hebben. Nederwiet wordt illegaal geëxporteerd, misschien weer met medewerking van buitenlandse informanten. Er is een ex-burgemeester, ex-minister die eerst werd opgeroepen om het land te redden en daarna als Barbertje moest hangen. Geen wonder dat zijn ogen vochtig zijn. Intussen - dat is nog juist over de grens te zien - zit de minister-president bij de president van Frankrijk uit te leggen dat het Nederlandse drugsbeleid het beste ter wereld is. In het centrum van de voorstelling mr. Maarten van Traa, en helemaal links onderaan, bijna niet met het blote oog te herkennen, schrijver dezes terwijl hij vanmorgen op de hoek van de Dam en de Kalverstraat uit eigen zak een niet aftrekbaar geheim bedragje geeft aan een junk die eruit ziet als een stervende duif.

Het beste overzicht tot nu toe van de verwikkelingen om de commissie, de drugs, het geld en de carrières heb ik gehoord van Jan Mulder in het programma dat hij en Remco Campert onder de titel De tekenlerares op de planken brengen. Als je naar hem hebt geluisterd begrijp je alles, zoals je het jaar 1956 plotseling had begrepen nadat je mr. G.B.J. Hiltermann had gehoord. Ja, zo is het. In verder afgelegen landen worden wij beschouwd als halve garen. En hoewel dat minder te maken heeft met de manier waarop wij Nederlanders worden geregeerd: let ook op Remco Campert en neem een zakdoek mee.

Eigenlijk was ik van plan iets te schrijven over minister M.de Boer van milieu en haar initiatief tot het niet sturen van 'wenskaarten' omdat dit het milieu ten goede komt. Over dit vraagstuk heeft in deze krant Sjoerd de Jong aleen stukje geschreven - afgelopen dinsdag - waarin ik me goed kon vinden. Maar ik heb nog een kanttekening. Het woord wenskaart lijkt me een germanisme dat althans voor mij nog direkt verbonden is met de Winterhulp. Ik veronderstel dat het bij ons in gebruik is geraakt als gevolg van de toenemende ontkerstening waardoor steeds minder mensen ervan beschuldigd wilden worden dat ze 'kerstkaarten' stuurden. In een wenskaart zit alles: Kerstmis, Oud en Nieuw en desnoods ook nog Drie Koningen. Als je het zo bekijkt - drie in één klap - is het al een stevige verlichting voor het milieu. Maar zonder dat je radicaal van het sturen af zou zien, zou het nog beter kunnen. Daarvoor heb ik de poolcard bedacht. Je vormt binnen je familie of je vriendenkring een kaartpool, koopt één kaart en stuurt die uit naam van alle leden naar een andere kaartpool die je zodoende het beste wenst. Ik schat dat daardoor het milieu dertig tot vijftig procent minder zal worden belast.

Zo kom ik, tenslotte, vanzelf op de banenpool voor de Amsterdamse tramconducteurs waarmee het na twee jaar experimenteren nog niet goed wil lukken. De hokjes zijn er: comfortabele aanvalsproof beschermde ruimten met knoppenborden en uitgekiende stoelen op het achterbalcon van de trams. Maar de meeste blijven leeg omdat er niet voldoende banenpoolers worden gevonden. In de enquête die de Volkskrant iedere dag naar het probleem van de dag houdt, viel me dit antwoord op: 'Velen vergeten dat de geestelijke drempel voor een 32-urige werkweek heel hoog is als je niet eerder hebt gewerkt. Het idee dat je zomaar, patsboem, moet omschakelen naar een volle werkweek...'

Zoals bij het vraagstuk van de wenskaart heb ik ook hier een kleine berekening gemaakt. Het timmeren en plaatsen van een conducteursverblijfje kost 60.000 gulden. Als we ervan uitgaan dat gemiddeld per dag 10 trams 17 uur per dag 364 dagen per jaar met een leeg hokje heen en weer rijden (conservatieve schatting), komen we tot de slotsom dat dit het duurste luchtvervoer aller tijden is, een bedrag waarvoor je een retour business class Amsterdam-Sydney kunt kopen.

Wat moeten we als volk van al die dingen denken? Mr. G.B.J. Hiltermann heeft dat al bijna veertig jaar geleden voor ons gedacht.