'Soeharto is koning en heeft altijd gelijk'

ROTTERDAM, 11 NOV. In de aula van de Erasmus Universiteit klonken gamelan-klanken en de ere-promovendus op het podium tikte met zijn rechterhand het Javaanse ritme zachtjes mee op zijn knie. De Rotterdamse academie vierde woensdag zijn verjaardag en eerde bij die gelegenheid een oud-student uit Indonesië met een doctoraat honoris causa. Prof. dr. Sumitro Djojohadikusumo (78), wiens voorvader in de Java-Oorlog meevocht met de rebelse prins Diponegoro, is de nestor van de Indonesische economen. Het eredoctoraat is een vriendelijke toegift, want de ex-hoogleraar promoveerde al in 1943 aan de Rotterdamse Handelshogeschool op een proefschrift over het volkskredietwezen op Java in de depressiejaren.

De plechtigheid werd bijgewoond door premier Kok, burgemeester Peper, de kinderen van Sumitro's 'Rotterdamse' leermeesters Tinbergen en Gonggrijp, voormalige medestudenten als Witteveen en Zijlstra, en een keur van zijn Indonesische pupillen, onder wie de ex-ministers Radius Prawiro, Mohammad Sadli en Emil Salim.

De ere-promotor, prof. dr. Sijbren Cnossen, hoogleraar fiscale economie, roemde Sumitro's verdiensten als goeroe van een invloedrijke generatie Indonesische economen, als staatsman - hij was vijfmaal minister, driemaal onder Soekarno en tweemaal onder Soeharto - en als mens. Tijdens zijn bewogen leven, zei Cnossen, 'volgde hij steeds de stem van zijn geweten'. In 1957 koos Sumitro de kant van het rebellenkabinet op Sumatra, uit solidariteit met de grieven in de 'buitengewesten', die van het centralistische Jakarta meer zeggenschap eisten over de rijkdommen van hun provincies. Toen de opstand werd neergeslagen door het Indonesische leger nam hij de wijk naar Singapore, het begin van tien jaar politieke ballingschap. In 1967, twee jaar na de mislukte coup van linkse kolonels, werd hij door de nieuwe, toen nog waarnemend president Soeharto teruggeroepen naar Indonesië en ontwierp hij, samen met zijn ex-studenten uit Jakarta, het ontwikkelingsmodel van de Nieuwe Orde.

Deze week was Sumitro voor het eerst sinds een kwart eeuw terug in Rotterdam. Hij was opgetogen over het metropolitische karakter van de herrezen havenstad, over de groei van de universiteit en over de 'internationale oriëntatie van docenten en studenten'. Sumitro: “Toen ik in 1935 mijn studies aanving aan de Rotterdamse Handelshogeschool, toen nog gehuisvest in een bescheiden pand aan de Pieter de Hooghweg, was het intellectuele klimaat nogal provinciaal. Opvallende uitzonderingen waren mijn leraren Tinbergen en Gonggrijp. Tinbergen onderwees ons in technische vakken als statistiek, maar hij trof me vooral door zijn visie. Hij was de enige docent die mijn land consequent 'Indonesië' noemde - ik spreek over de jaren 1936-'37 - en hij had grote belangstelling voor Indonesische vraagstukken als de 'drainage' van kapitaal. Hij was oprecht geïnteresseerd in het werkloosheidsvraagstuk en schreef mee aan het Plan van de Arbeid, en dat was onderwerp van onze werkcolleges.”

Tegenover zijn promotor, wijlen professor Gonggrijp, loste de 'jonge doctor' een ereschuld in. Sumitro: “Gonggrijp leidde ons binnen in de koloniale economie. In sociale kwesties nam hij een verlicht standpunt in. Hij wist haarfijn uit te leggen hoe rampzalig de depressie was voor het gewone volk van Indonesië. Hij bestreed de toen wijdverbreide opvatting dat men ginds niet leed onder de werkloosheid, omdat wie zijn baan kwijtraakte werd opgenomen in de schoot van de familie. Gonggrijp zag in hoezeer dit drukte op de families. Hij bestreed ook de gangbare opvatting dat de zogenaamde 'volkseconomie' niet gemonetariseerd was en daarom niet geraakt werd door de depressie. Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw moest men immers belasting betalen. Toen het geld schaars werd, werd er beslag gelegd op grond of op de oogst. Voor zijn tijd was Gonggrijp een uitgesproken progressief, maar hij kon zich intellectueel en emotioneel niet verzoenen met de gedachte van volledige onafhankelijkheid voor Indonesië. Ik heb hem daar destijds hard op aangevallen, maar ik had zijn standpunt moeten begrijpen voor wat het was: produkt van zijn tijd en generatie; zo u wilt een specifiek aspect van het menselijk tekort”.

Over Soeharto, inmiddels de schoonvader van Sumitro's jongste zoon, zegt hij: “Politiek sta ik bij hem in de schuld, daarom blijf ik loyaal. Wat opvalt aan Soeharto is zijn ambivalentie. Terwijl hij in het parlement uitspraken deed, waarop niets viel af te dingen - geen subsidies en zo meer - , begon hij gunsten te vergeven aan oude kennissen, zoals de tycoon Liem Sioe Liong. Het is tussen ons nooit tot een openlijke aanvaring gekomen, toch verschilden we meer en meer van mening. In familieverband bejegent hij me hartelijk, maar in staatszaken laat hij zich beïnvloeden door anderen. Neem nu die onmogelijke kruidnagel-affaire. Toen hij zijn zoon Tommy het inkoopmonopolie gunde, was ik furieus, want ik ken de traditionele teeltgebieden - de Molukken, de Minahassa - erg goed. En als hij eenmaal iets heeft vergeven, komt hij er niet meer op terug. Hij is een koning, weet u, en een Javaanse koning heeft nooit ongelijk. Begrijpt u me goed, ik heb geen ruzie met hem.”

In zijn rede voor de reünie van hoogleraren aan de Economische Faculteit van de Universitas Indonesia (UI) in september, hield Sumitro een kritische rede waarin hij minister van onderzoek en technologie B.J. Habibie, een protégé van Soeharto, een lesje economie gaf. De minister beweert al enige tijd dat Indonesië zich bij zijn industrialisering niet moet laten leiden door wat in de klassieke economie 'comparatieve voordelen' heet, maar zich een concurrentiepositie moet verwerven op gebieden waar het vanouds geen voorsprong heeft. Sumitro: “Ik heb niets tegen Habibie persoonlijk - onze verhouding is goed - maar hij moet geen dingen beweren die niet kloppen. Hij verengt het begrip 'comparatieve voordelen' waar het Indonesië betreft tot goedkope arbeid. Dat vindt hij een te zwakke basis voor 's lands industrie. Hij wil een hogere toegevoegde waarde realiseren, middels de inschakeling van hoogwaardige technologie. In de praktijk betekent dit de investering van enorme bedragen in de ontwikkeling van een Indonesische vliegtuigindustrie.” “Het begrip comparatieve voordelen”, aldus Sumitro, “heeft echter ook betrekking op de in Indonesië rijkelijk voorhanden natuurlijke hulpbronnen. Habibie gaat te gemakkelijk voorbij aan het enorme ontwikkelingspotentieel van de agro-industrie. Plantages voor palmolie en andere voedingsolieën vereisen relatief kleine investeringen met een hoog rendement, want de markt is schier onbegrenst en niet alleen in eigen land. Neem China, dat om redenen van klimaat en bodemgesteldheid geen oliepalmen kan verbouwen, maar enorme hoeveelheden voedingsolieën verbruikt. Op een plantage van 2.000 hectare kunnen 12.000 mensen werken. Vergelijk dat eens met de kapitaal-arbeid ratio van een vliegtuigfabriek! Habibie moet consequent zijn. Als het hij echt wil concurreren, moet hij na vijftien, twintig jaar vaststellen dat hem dat met vliegtuigen niet is gelukt.”