Snijden in de tweede sekse

LIDY SCHOON: De gynaecologie als belichaming van vrouwen. Verloskunde en gynaecologie 1840-1920

333 blz., geïll., Walburg Pers 1995, ƒ 49,50

Met de titel van haar proefschrift is de politicologe Lidy Schoon er goed in geslaagd een voorproefje te geven van wat stoort in dit boek. Het is een geschiedenis van verloskunde en gynaecologie in Nederland, waarin de lezer voortdurend stuit op het jargon van de kritische wetenschapper. Het vrouwelijk lichaam wordt 'gekoloniseerd', de gynaecologie geeft 'door haar praktijkvoering betekenis aan het vrouwenlichaam', en regelmatig klinkt in het boek de neiging om vrouwen bij voorbaat als slachtoffers van de medici te zien.

Maar daar staat ook wel goeds tegenover. Schoon geeft een interessant beeld van het ontstaan van de gynaecologie als medisch specialisme in Nederland. Het vak heeft een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van de chirurgie; de keizersnede is, schrijft Schoon, de eerste medische ingreep geweest waarbij de buik van een levend mens geopend werd.

De opkomst van de desinfectie en van chloroform als verdovingsmiddel, rond het midden van de eeuw, schiepen nieuwe mogelijkheden om vrouwen te behandelen. De keizersnee, niet meer vrijwel zeker dodelijk voor de kraamvrouw, werd een acceptabele ingreep. Anderzijds konden artsen zich nu gaan uitleven in operaties die voor de vrouwen vaak meer ellende dan heil brachten - maar natuurlijk uiterst leerzaam waren voor de geneesheer. In de steden dienden kraamklinieken, waar vooral nooddruftige vrouwen kwamen, om de doktoren studiemateriaal te verschaffen. Met evidente partijdigheid beschrijft Lidy Schoon de concurrentiestrijd tussen vroedvrouwen en medici die hieruit voortvloeide. Deze strijd is, zoals bekend, in Nederland gunstiger voor de vroedvrouwen (en volgens Schoon dus voor de kraamvrouwen) geëindigd dan elders in de beschaafde wereld.

Het is altijd weer verbluffend te lezen hoe jong de moderne, empirische medische wetenschap is: anders gezegd, hoe bitter weinig artsen vier of vijf generaties geleden nog maar wisten. Aderlating werd tot ver in de negentiende eeuw toegepast. Vooral bij vrouwen met menstruatieproblemen lag het voor de hand, omdat het idee was dat 'het bloed er toch uit moest'. Verbijsterend genoeg heeft het tot de twintigste eeuw geduurd eer de medische wetenschap er achter was wat de menstruatie eigenlijk is.

Schoon ziet in de geschiedenis van de gynaecologie het verhaal van mannen die steeds verder, en met grove middelen, doordringen in het vrouwelijk lichaam. Zij maakt veel werk van de veranderende kijk op dat lichaam. Met de opkomst van de gynaecologie werden vrouwen volgens haar steeds meer gezien als aanhangsels van hun voortplantingsorganen, wezens die geheel bepaald werden door hun biologische bestemming. Het kan waar zijn; maar het idee van de tota mulier in utero, de vrouw als één en al baarmoeder, en het begrip hysterie - een kwaal die gezeteld zou zijn in de baarmoeder - zijn toch zeker ouder.

Wie de vele, erbarmelijke case-histories in dit boek leest en kennis neemt van de vaak wrede en zinloze praktijken die werden toegepast door medici, kan wel begrijpen dat de schrijfster als feministe een nogal zwart-witte kijk op haar onderwerp heeft. Het kan ook best waar zijn dat juist onder vrouwenartsen een specifiek soort botheid voorkwam. Die wordt dan goed belichaamd door Carl Heinrich Stratz (1858-1924), medisch officier van het KNIL, die, bekleed met de autoriteit van zijn positie, rond 1890 de geslachtsorganen van duizend Javaanse vrouwen aan nauwkeurige inspectie onderwierp, honderden ingrijpende operaties verrichtte en met naaktfoto's verluchte studies publiceerde als De vrouwen op Java (1897).

Schoon heeft gekozen voor een benadering waarbij de hooggeleerde beoefenaars van het vak een centrale plaats innemen. Zij doet dit ten dele omdat zij duidelijk wil maken welk een enorme sociale kloof gaapte tussen de dokters en het gros van hun patiëntes. Daarbij slaat zij geen acht op het feit dat dit gold (en geldt) voor alle medische specialismen. Die werden nu eenmaal, toen de artsenij een zekere status begon te verwerven, beoefend door heren met gouden horlogekettingen.

Maar die prosopografische benadering geeft ook wel een goede historische basis. Het boek krijgt zo een werkelijkheidsgehalte dat een feitelijk relaas over diagnoses en therapieën misschien gemist zou hebben. Het is goed te beseffen dat het allemaal mensenwerk was. Soms leidde dat tot afschuwelijk situaties, bijvoorbeeld waar een Amsterdamse hoogleraar, Lehmann, zich tot zijn dood in 1880 koppig bleef verzetten tegen de desinfectie, waarvan Semmelweis had aangetoond dat zij van levensbelang was. Zo gaat het nu eenmaal in de medische historie.

Niet dat de mannen in Schoons boek allemaal duivels zijn. Maar het aardigste portret wijdt de schrijfster wel aan de arts Catharine van Tussenbroek (1852-1925) die vanaf haar vijfendertigste een gynaecologische praktijk in Amsterdam had. Van Tussenbroek heeft zich vaak ingezet voor de rechten van vrouwen. Samen met Hector Treub (1856-1920) behoorde zij tot de gynaecologen die een wat 'vrouwvriendelijker' benadering voorstonden. In de gynaecologische vereniging stelde zij zaken als onvruchtbaarheid ter discussie, en het botweg steriliseren van vrouwen voor wie een zwangerschap noodlottig zou kunnen zijn (terwijl onthouding, of sterilisatie van de echtgenoot, ook denkbaar was). De passages over de debatten die daaruit voortvloeiden, behoren tot de levendigste in dit boek.