Schliemann

Men mag bij een recensent meer deskundigheid verwachten dan B. Bommeljé aan de dag legt bij zijn bespreking van Traills boek Schliemann of Troy: Treasure and Deceit, zeker wanneer het gaat om zulke zware beschuldigingen (boekenbijlage 14 oktober).

Schliemann zelf heeft weliswaar door leugens wantrouwen gewekt zodat men gaat twijfelen aan alles wat hij zegt. Het was immers een aperte leugen dat de 'schat van Priamos' als een gesloten vondstcomplex werd aangetroffen en dat hij bij het bergen ervan geholpen werd door zijn vrouw, die toen in Athene was waar haar vader werd begraven. Het is daarom niet verwonderlijk dat alles wat hij zegt, betwijfeld wordt. Toch zijn de voorbeelden dat Schliemann een pathologisch leugenaar zou zijn, door Bommeljé slecht uit Traill gekozen.

1. De bewering dat hij de president van Amerika, Fillmore, in 1851 ontmoette en dat hij de grote brand van San Francisco meemaakte, “blijft een leugen (...) voorzien van een foutieve datum - die hij componeerde uit kranteberichten”. H. Döhl heeft er reeds in 1981 op gewezen dat deze episode staat in de dagboeken van Schliemann, die zijn fenomenale talenkennis opbouwde door krante-artikelen van buiten te leren en dan in de ik-vorm te herschrijven. Deze dagboeken van 1851 waren niet voor publikatie bestemd, maar werden pas in 1942 gepubliceerd. Dat hij zijn dagboeken schreef omdat hij wist dat hij later beroemd zou worden, is een slag in de lucht van Traill. Bewijs zoiets maar eens!

2. In 1986 insinueert Traill voor het eerst dat het 'masker van Agamemnon' uit Mycene een vervalsing zou zijn welke Schliemann bij een Parijse juwelier zou hebben besteld. Traill is hierin toch wel erg hardleers! De bekende archeoloog Sinclair Hood heeft Schliemanns albums van Mycene teruggevonden waarin zijn ontdekkingen in fotografie - voor die tijd een nieuwtje! - staan afgebeeld, dadelijk nadat zij waren gevonden. Hieruit blijkt dat er gewoon geen tijd voor is geweest om in Parijs een dergelijke vervalsing te laten vervaardigen. Dia's van het 'masker van Agamemnon' in het album heeft Hood laten zien op een congres in 1990 in Athene, waar ook Traill was. Het is dan ook belachelijk te veronderstellen dat Schliemann, die zoveel gouden maskers en voorwerpen in Mycene heeft gevonden, uitgerekend dit portret liet vervalsen.

De gewoonte om Schliemann algemeen voor een grote dilettant en een archeologisch prutser uit te maken, is een ongenuanceerd beeld. De Schliemann van 1890 heeft in de twintig jaar dat hij archeologie bedreef, enorm veel bijgeleerd. Daarvan getuigen zijn latere publikaties. Hierin geeft hij blijk van een wetenschappeijke instelling en van een kritisch vermogen die tegenwoordig een geschoold archeoloog niet zouden misstaan. Wel moet men voortdurend bedenken dat hij aanvankelijk in een volkomen onbekende cultuur aan 't graven was en dat hij als autodidact, amateur en niet-academicus, voortdurend blootstond aan de bijtende kritiek van de gevestigde academische orde. Zijn geringe afkomst heeft hij duidelijk willen compenseren: door zijn rijkdom en door goede contacten met de elite. Anderzijds is het heel begrijpelijk dat iemand die een hele nieuwe wereld, die van Troje en Mycene, door opgravingen ontsluit, verongelijkt is omdat de academische bourgoisie van zijn tijd sceptisch op haar leerstoel blijft zitten bij al zijn 'bewijzen'.

Dat hij enkele malen de waarheid geweld aandoet, maakt dat men zijn berichten kritisch moet toetsen. Maar om dan meteen het profiel van een pathologisch leugenaar uit een psychiatrisch handboek te lichten en allerlei slechte karaktertrekken - “zuinigheid, gierigheid, onbetrouwbaarheid, harde zakelijkheid, egoïsme, en onpersoonlijk, triviaal en slecht geïntergreerd seksleven” (Traill) - toe te dichten, daarvoor mist Traill de deskundigheid van de psychotherapeut, die zijn patiënt analyseert na tal van persoonlijke gesprekken en sessies. Een recensent zou evenwel dergelijke beschuldigingen niet onkritisch moeten nakauwen, maar zich eerst op de hoogte stellen van de stand van zaken in de wetenschap. Ook daar geldt nog steeds de stelregel van het procesrecht: Laat ook de andere partij gehoord worden!

Nawoord B. Bommeljé: Zelfs wanneer men voorbijgaat aan het feit dat Schliemann vrijelijk passages en pagina's naderhand aan zijn dagboek toevoegde, zelfs wanneer men voorbijgaat aan de foto die ook van de 'schat van Priamus' is gemaakt na de 'ontdekking', zelfs wanneer men voorbijgaat aan het gegeven dat in Mycene (net als in Troje) bijna al het goud in de laatste twee weken van de maandenlange opgravingen opdook, en zelfs wanneer men voorbijgaat aan de omstandigheid dat er geen enkele verklaring of parallel is voor de enorme opeenhoping van gouden voorwerpen in de Myceense schachtgraven III, IV en V (waar naast de maskers ook vondsten uit verkeerde perioden tevoorschijn kwamen), dan blijft het evident dat het Masker van Agamemnon wat betreft techniek, stijl en details volstrekt afwijkt van alle andere maskers die ooit gevonden zijn. Er is in ieder geval in de Griekse oudheid geen snor (op zichzelf al een unicum) die zo doet denken aan de snor van de door Schliemann mateloos bewonderde latere keizer Wilhelm II.

Of het door prof. De Waele aan mij gerichte verwijt van gebrek aan 'wetenschappelijke deskundigheid' hout snijdt, is aan anderen om te beoordelen. Kern van de recensie was dat inzake de oudheid scherpe vragen altijd interessanter zijn dan goedgelovigheid. Van archeologen zou men dat inzicht ook mogen verwachten.