'Samenleving faalt als ze sociale deugden niet waardeert'

“Ik geloof, net zoals Adam Smith, zowel in de markt als in de beperkingen van de markt.” Amartya Sen, hoogleraar filosofie en economie aan de Harvard universiteit, is een Amerikaanse liberal die normen en waarden wil integreren in de traditionele economiebeoefening. De gedoodverfde winnaar van de Nobelprijs beschouwt zichzelf als links. Maar: “Vrijheid is een extreem belangrijke deugd.”

De eerste Nederlandse vertaling van het werk van Sen is onlangs verschenen bij uitgeverij Van Gennep Amsterdam, onder de titel: Amartya Sen, Welzijn, vrijheid en maatschappelijke keuze (ingeleid door prof. Jos de Beus). De Nederlandse vertaling van de lezing die Sen op 2 november in Tilburg hield, zal binnenkort verschijnen in het blad Nexus van het gelijknamige instituut.

Adam Smith, de ideoloog van het moderne kapitalisme, wordt op handen gedragen door liberale en conservatieve politici en economen, maar volgens Amartya Sen, hoogleraar filosofie en economie aan Harvard University, is de grondlegger van de economiebeoefening juist links. “Karl Marx is niets in vergelijking met Adam Smith als het gaat om kritiek op de rijken”, zegt Sen. Hij is voor een dag neergestreken op de Katholieke Universiteit Brabant, waar hij een lezing geeft aan het Nexus Instituut voor cultuur en maatschappij. Sen, een uitermate sympathieke en bedachtzaam formulerende in Santiniketan (India) geboren Amerikaan, vervolgt zijn discours over de twee meest bekende klassieke economen. “Marx zei altijd dat de rijken het niet kunnen helpen dat ze rijk zijn, want ze leven in een slecht systeem. Smith beweerde dat de rijken wel degelijk wat kunnen doen aan de ongelijkheid, maar dat ze in moreel opzicht falen. In elk opzicht was Smith een rebellerende, radicale, linkse denker. Smith stond achter de Franse revolutie en kreeg daarvoor de wind van voren van de Engelse conservatieven. Hij nam het op voor de bourgeoisie. Dat was eind achttiende eeuw niet de bovenklasse, maar de zich omhoog werkende klasse. Smith had weinig op met de toenmalige aristocratie. Hij onderstreepte het belang van markten, als mechanisme om goederen, diensten, arbeidskrachten en kapitaal zo efficiënt mogelijk te verdelen. Minder bekend zijn zijn theorieën over het ontwikkelen van vaardigheden bij mensen en bedrijven. Smith verschilt hierin van Ricardo die zijn handelstheorie baseert op comparatieve voordelen die landen hebben op grond van hun natuurlijke hulpbronnen. Smith wijst erop dat mensen en bedrijven vaardigheden krijgen door zich te specialiseren in een bepaalde activiteit. En door dat op grote schaal te doen, worden ze er ook steeds beter in. Neem Zuid-Korea. Het is niet zo dat Koreanen altijd goed zijn geweest in het maken van auto's. Maar vanaf het moment dat ze zich erin zijn gaan bekwamen ging de kwaliteit met sprongen vooruit.”

Om het belang van Adam Smith als linkse denker verder te onderbouwen grijpt Sen terug op zijn favoriete thema: hongersnoden. Dit vloeit voort uit zijn traumatische jeugdervaring: de honger in Bengalen in 1943, waarbij drie miljoen mensen de dood vonden. Sen was toen negen jaar oud. “Politici die geloven in de deugden van de vrije werking van de markt doen een beroep op Adam Smith en zeggen dat de overheid zich er niet mee moet bemoeien. Maar Adam Smith heeft nooit zoiets gezegd. Hij onderstreepte weliswaar het belang van het ruilmechanisme, de vrije werking van de markt, maar dat wil niet zeggen dat de overheid zich afzijdig moet houden. Dat zijn twee verschillende zaken. Smith vond dat de overheid zich niet met de graanhandel moest bemoeien. Het marktmechanisme is immers de beste manier om voedsel te verdelen. Regeringen zijn daar niet goed in. Maar de overheid moet bij een hongersnood wel degelijk tot actie overgaan. Door mensen inkomen te geven in ruil voor tijdelijk werk. Dat laatste is een manier om mensen te screenen, zodat het geld niet terecht komt bij mensen die het niet nodig hebben. Als de overheid op deze wijze vraag naar voedsel heeft gecreëerd, kan de verdeling van het beschikbare voedsel worden overgelaten aan de markt. Een goed functionerende markt, in combinatie met een regering die hulpbehoevende mensen van inkomen voorziet, is de beste manier om hongersnoden te bestrijden. Adam Smith zou het daarmee eens zijn. Ik geloof, net als Smith, zowel in de markt als in de beperkingen van de markt.”

Sen heeft een indrukwekkende staat van dienst. Vriend en vijand zijn ervan overtuigd dat hij nog eens de Nobelprijs voor economie in de wacht zal slepen, nadat dit jaar de vrije-marktdenker Lucas werd onderscheiden. Met zijn theorieën over het creëren van voorwaarden voor economische groei door de overheid vormt de Harvard-hoogleraar een inspiratiebron voor 'links'. Een term die Sen nog veelvuldig gebruikt. “Het verschil tussen links en rechts is voor mij helder”, zegt hij. “Het gaat er gewoon om of je voor of tegen de armen bent. Ben je voor de armen, dan ben je links. Ben je voor de rijken, dan ben je rechts. In die zin was Smith dus links.” In politieke zin is Sen dan ook een Amerikaanse liberal. Hij is voor een vrije werking van het marktmechanisme én voor een krachtige overheid. Een mixture die in Nederlands als sociaal-liberaal kan worden gekenschetst.

De kern van zijn denken komt tot uiting in een artikel dat Sen vorige maand schreef voor het nieuwe Britse blad Prospect. Daarin zet hij de economische ontwikkeling van twee snel opkomende economieën - India en China (samen goed voor twee-vijfde van de wereldbevolking) - tegenover elkaar. De uitgebreide staatsbemoeienis in India sinds de tweede wereldoorlog was volgens Sen niet gericht op het opleiden van mensen, landhervormingen, gezondheidszorg en het verminderen van sociale ongelijkheid, maar op uitgebreide regelgeving, bureaucratie en controle. De resultaten zijn volgens Sen desastreus. De helft van de mensen (en tweederde van de vrouwen) kan niet lezen en/of schrijven en dat maakt dat de Indiase economie moeilijk geïntegreerd kan worden in de wereldeconomie. “Een goede kwaliteit van het leven, inclusief basiseducatie en de beschikbaarheid van medische zorgvoorzieningen, heeft een instrumentele rol in het produktiever maken van mensen en het grijpen van economische kansen”, schrijft Sen.

Begin jaren negentig, toen in India de hervormingen begonnen, was de helft van de meisjes en een kwart van de Indiase jongens in de leeftijdsklasse 15-19 jaar nog analfabeet. Dit contrasteert sterk met de Chinese situatie. Begin jaren tachtig, toen daar de hervormingen begonnen, kon 85 procent van de meisjes en 96 procent van de jongens in dezelfde leeftijdsklasse al lezen en schrijven. In de gezondheidszorg en bij de grondpolitiek komen soortgelijke verschillen voor.

Wat China heeft (een goede basis voor economische ontwikkeling) heeft India niet. Maar aan de andere kant heeft India iets wat China traditioneel ontbeert: respect voor mensenrechten. India kent een meer-partijensysteem, met garanties voor politieke vrijheden en persvrijheid, waardoor volgens Sen hongersnoden worden vermeden. “Er heeft nog nooit een hongersnood plaatsgevonden in een democratie”, aldus Sen. “De hongersnood in Bengalen in 1943 was een beproeving van een bijna ongelooflijke wreedheid, die zo plotseling over ons kwam dat ik haar toen absoluut niet kon begrijpen”, schreef Sen juni 1990 in the New York Review of Books. Met de installatie van het democratische meer-partijensysteem stopten dergelijke hongersnoden echter abrupt. “Geen democratische regering kan zich veroorloven naar de stembus te gaan na een sociale calamiteit”, zegt Sen. “Bovendien kan een zittende regering de kritiek van vrije media en oppositiepartijen niet naast zich neerleggen en ze wordt dus wel gedwongen tot actie over te gaan.” Van politieke en civiele rechten gaat volgens hem een constructieve prikkel uit.

In China kwamen in de periode 1958-1961 nog steeds hongersnoden voor waarbij tussen de 23 en de 30 miljoen mensen het leven lieten. Reden: de Chinese regering werd misleid door het ontbreken van vrije nieuwsgaring. De kranten stonden vol met propaganda en lokale partijfunctionarissen verzwegen de ellende in hun gebied, om hun carrièrekansen niet te verbruien.

Sen's visie hinkt op twee gedachten: onderwijs, gezondheidszorg en andere overheidsvoorzieningen zijn belangrijk als voorwaarden voor economische groei, maar ook politieke en burgerlijke vrijheden spelen een belangrijke rol. Het best is de combinatie van beide.

Steeds duikt dan weer het voorbeeld van de Indiase staten Kerala en Tamil Nadu op. “Economische oases in India,” aldus Sen. Daar zijn de mensen wel goed opgeleid en staat de gezondheidszorg op een hoog peil, terwijl de vrijheden groot zijn. In Kerala en Tamil Nadu kwamen de mensen door hun opleiding zelf tot de conclusie dat de economische ontwikkeling niet gebaat was met veel kinderen per gezin, waarvoor in China een door de overheid afgedwongen gezinsbeperking uit de kast moest worden getrokken. “Het teruglopen van het aantal kinderen per gezin in Kerala en Tamil Nadu”, zei Sen in zijn Nexus-lezing, vorige week donderdag, “werd voorafgegaan door uitbreiding van het onderwijs in het algemeen en dat voor vrouwen in het bijzonder, en door uitgebreide discussies in de media en tijdens politieke bijeenkomsten over de noodzaak van kleinere families”. Waarden (Sen heeft het over value formation) spelen volgens de filosoof en econoom een hoofdrol bij het terugdringen van overbevolking en ook bij milieuvraagstukken. De macht van rede en overtuiging acht hij superieur aan die van economische dwang.

De vele artikelen, boeken en lezingen van Sen gaan allemaal uit van hetzelfde principe. Aan de hand van op het oog simpele gebeurtenissen als hongersnoden legt Sen de link naar fundamentele politiek-ideologische begrippen als vrijheid, gelijkheid en broederschap (sociale waarden), waarbij de nadruk steeds valt op het geven van zoveel mogelijk vrijheden, aangeduid als freedoms, aan iedereen.

Sen wil de rol van normen en waarden integreren in de traditionele economiebeoefening, zo bekende hij in zijn Nexus-lezing in Tilburg. Een complicerende factor is dat Sen twee woorden gebruikt voor het vrijheidsbegrip dat centraal staat in zijn denken: freedom en liberty. Begrippen die moeilijk in het Nederlands zijn te vertalen.

“Vrijheid is een extreem belangrijke deugd”, zegt Sen. “In mijn drie jaar geleden gepubliceerde boek Inequality reexamined betoog ik dat er geen conflict bestaat tussen vrijheid en gelijkheid. Bij discussies over gelijkheid blijft de vraag: wat je wilt dat gelijk is. Sommigen vinden inkomensgelijkheid erg belangrijk. Voor mij is gelijkheid van freedoms - de economische en sociale mogelijkheden die mensen hebben - belangrijker. Daaronder valt ook liberty: het gegeven dat anderen zich niet met jou bemoeien. Als je als overheid mensen veel vrijheid geeft, maar je stelt hen bijvoorbeeld op het platteland niet in de gelegenheid om onderwijs te volgen, zoals bijvoorbeeld in India is gebeurd, dan is de vrijheid wel heel schraal. Voor mij zijn de freedoms van een goede toegang tot gezondheidszorg, onderwijs voor kinderen en een basisinkomen bij werkloosheid essentieel voor zowel het vermijden van hongersnoden, als voor de economische ontwikkeling van een land. Ze zijn in elk geval belangrijker dan gelijkheid van inkomen”.

Moet er dan geen sprake zijn van herverdeling van inkomen door de overheid?

“Gelijkheid van inkomen op zichzelf is voor mij geen zaak van groot belang. Om een aantal redenen. Je kunt gelijkheid van inkomen en toch een heel onrechtvaardige samenleving hebben. Ik kan wegens problemen met mijn nieren dialyse nodig hebben. Wat heb ik op dat moment aan gelijkheid van inkomen? Ik wil gelijkheid van levenskansen. Inkomen is dan een erg smalle basis. Bovendien is inkomensgelijkheid politiek gezien niet effectief. Mensen hebben in de grond namelijk wel veel sympathie voor elkaar, maar het is niet het soort sympathie waarbij iemand zegt: neem mijn geld, geef het aan een ander, dan kan die zien wat hij ermee doet. Mensen zijn wèl geïnteresseerd in het bevorderen van de levenskansen van anderen. Je moet dus zeggen dat het nodig is geld te geven, omdat er mensen zijn die ziek zijn en geen behandeling krijgen. Door je teveel te concentreren op inkomensgelijkheid als doel raak je de basissympathie kwijt die mensen voor elkaar hebben.

“Ik vind niet - en daarin ben ik het met de Nederlandse Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen eens - dat het hebben van talent een argument is voor een hoog inkomen. Want als je talent hebt, dan heb je gewoon geluk gehad. Als ik geen talent heb, is dat geen reden voor straf in de vorm van een lager inkomen. Aan de andere kant kun je zeer waardevolle arbeid verliezen als je mensen met talent geen financiële prikkel geeft. En dat kan weer ten koste gaan van de inkomenspositie van iedereen. De Chinezen hebben het uitgeprobeerd tijdens de Culturele Revolutie, en dat was geen succes. Het ultieme argument voor ongelijkheid van inkomen is dus dat het de koek - het inkomen dat we met zijn allen verdienen - groter maakt. Ik geloof dat links zichzelf in het verleden veel schade heeft berokkend door het economische nut van financiële prikkels niet serieus te nemen.”

Er bestaat dus wel een conflict tussen de begrippen gelijkheid en efficiency?

“Ik bezie zowel gelijkheid als efficiency in het licht van freedoms. Ten tweede is de omvang van de koek niet de enige zorg. Je moet vooral kijken hoe de verdeling van de koek van invloed is op de verdeling van freedoms. De kans voor een afro-Amerikaanse man om een hoge leeftijd te bereiken is kleiner dan voor een gemiddelde Chinees of een Indiër uit ontwikkelde Indiase staten als Kerala of Tamil Nadu. Een afro-Amerikaan mag dan dertig keer zo rijk zijn, als hij eerder kan sterven dan is er voor hem freedom verloren gegaan.

“Mijn derde punt is dat financiële prikkels weliswaar belangrijk zijn, maar dat de mens ook een sociaal wezen is. De beloningen die we zoeken, zijn niet alleen materieel van aard. We hebben graag dat anderen goed over ons spreken. We willen in vrede met anderen en met onszelf leven. Adam Smith laat niet na om daar steeds weer op te wijzen. De manier waarop een samenleving bepaalde deugden waardeert is van groot belang. Ook voor de economie. De moderne maatschappij, of die nu kapitalistisch of socialistisch is, faalt op dat punt. Onze reacties op deugden zijn erg verward. We prijzen sporadisch Albert Schweitzer of moeder Theresa, maar het is niet geworteld in ons systeem. Ik denk dat we meer aandacht moeten geven aan de prikkel die erkenning geeft aan mensen die zich inzetten voor de samenleving.”

Moet de overheid een rol spelen bij het verdelen van de koek, of kan de markt dat zelf regelen?

“Ook bij de beantwoording van die vraag grijp ik weer terug op Adam Smith. Smith dacht dat de gelijkheid van mensen bijna natuurlijk een gevolg van het marktproces zou zijn, mits er sprake is van gelijkheid van kansen. Hij was daarom heel gespitst op publiek onderwijs, sociale zekerheid en armenwetten om langs die weg iedereen dezelfde kansen te geven om deel te nemen aan het economisch proces.

“Financiële prikkels zijn niet zozeer nodig om de omvang van de koek te maximaliseren, maar om freedoms en een zo gelijk mogelijke verdeling daarvan te bevorderen. Vrijheid is erg belangrijk. Ik zie mezelf dan ook deels als een libertijn. Niet als een conservatieve libertijn, maar als een linkse libertijn. Ik denk dat vrijheid de minst gewaardeerde deugd is, zelfs bij mensen die libertijn zijn. Vrijheid is belangrijk op zichzelf, dat is het eerste argument. Het lijkt een onnozel argument, maar de reden waarom we vrijheid belangrijk vinden is dat vrijheid ons een goed leven geeft.

“In de tweede plaats is vrijheid extreem belangrijk, omdat zij burgers en regeringen politieke prikkels geeft. Alle hongersnoden in Afrika hebben plaatsgevonden in militaire dictaturen.

“Mijn derde punt met betrekking tot vrijheid, en daar wordt het minst over gesproken is dat economische behoeften het gevolg zijn van communicatie tussen mensen. We zouden alleemaal tweehonderd jaar willen leven, maar we zien dat toch niet als een primaire behoefte. Waarom niet? Omdat we elkaar van overtuigen dat de medische wetenschap weliswaar snel vooruit gaat, maar dat het toch onmogelijk blijft om mensen 200 jaar te laten leven.”

Wat is in een moderne samenleving de rol van de overheid?

“De eerste rol van de overheid is om een vangnet te spannen door middel van de verstrekking van een minimaal inkomen, onderwijs en gezondheidszorg. Bovendien heeft de overheid een taak in het voorkomen en bestrijden van monopolies. Die ontstaan bijvoorbeeld als typische overheidstaken worden geprivatiseerd. Een staatsbedrijf wordt dan vervangen door een particulier monopolie. Om deze reden betwijfel ik of postkantoren wel in particuliere handen moeten komen. Je kunt ook allerlei vragen stellen bij de privatisering van de spoorwegen en allerlei zorgvoorzieningen. Voor de bezorging van post, het laten rijden van treinen en het met dure apparatuur stellen van medische diagnoses heb je een bepaalde schaalgrootte nodig. Laat je deze voorzieningen over aan particuliere monopolies dan loop je het risico dat hele delen van de bevolking verstoken blijven van dergelijke diensten. Privatisering zonder competitie brengt allerlei complicaties met zich mee. De overheid heeft ook een belangrijke rol bij de bestrijding van werkloosheid. Ik denk dat een aantal landen de prioriteit meer legt bij inflatie- dan werkloosheidsbestrijding. Monetair beleid blijft een zaak die door het publiek moet kunnen worden bediscussieerd. Ik vind dat centrale banken net zoveel belang moeten hechten aan het bestrijden van werkloosheid als aan het beheersen van prijsstijgingen. Ook bij het industriebeleid speelt de overheid een belangrijke rol. Neem de industrialisatie van Zuid-Korea. Het bankwezen was daar genationaliseerd en verstrekte rentevrije leningen voor bedrijfsactiviteiten die door de regering waren goedgekeurd. Dit beleid werd door de Wereldbank aanvankelijk afgewezen als zijnde anti-markt, maar de Wereldbank is daar later op teruggekomen. Zuid-Korea werd door deze vorm van overheidsingrijpen een belangrijke speler op de wereldmarkt”.

Is zo'n beleid nu links of rechts?

“Of je voor of tegen de armen bent is wat anders dan of je voor of tegen overheidsingrepen bent. Voor mij betekent links dat ik het opneem voor de armen. De Koreaanse economie verhindert het particuliere initiatief niet. Iedereen kan een bedrijf beginnen en de overheid geeft steun in de rug met leningen zonder of tegen lage rente. In India kon je tot de economische hervormingen, begin jaren negentig, zonder toestemming van de overheid geen onderneming starten. Bestaande bedrijven in India zagen dat graag. Op die manier konden zij het meeste profijt hebben van hun monopoliepositie. De regering van India werd dan ook gesteund door de grote industrie, die noch buitenlandse noch binnenlandse concurrentie duldde. Dat ging uiteindelijk ten koste van de economische groei. Door open te staan voor concurrentie doet Korea het economisch aanzienlijk beter dan India. De Koreanen breidden hun onderwijs sterk uit, hetgeen de Indiërs niet deden. Is dat links, of is dat rechts? Ik zou zeggen: links. Het was een misvatting van India om dat niet te doen”.

Daarmee zijn we weer terug bij Adam Smith. Hij was in zijn tijd een rebel. U bent het kennelijk nu.

“Ha, ha. Smith was inderdaad een rebel. In de maatschappij van 1776 waren pleidooien voor een vrije markt niet erg populair bij het establishment. Dat vond Smith links. Als je Smith goed leest, dan zie je dat hij meer economische mogelijkheden voor iedereen wilde. De aristocratie was daar niet van gediend. Smith was een aanhanger van de Franse revolutionairen, die zich druk maakten om vrijheid en gelijkheid. Ik maak me daar ook druk om.”