Op de bres voor bemoeizorg

JOS VAN DER LANS: De onzichtbare samenleving. Beschouwingen over publieke moraal

139 blz., Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn (NIZW) 1995*), ƒ 34,50

Niets is slaapverwekkender dan weer een nieuw boek over de teloorgang van de moraal. Heb je de pech zo'n boek in handen te krijgen, dan kun je je met een simpele proef een hoop tijd en ergernis besparen. Blader door naar de laatste pagina. Tien tegen één dat je daar als finale paukeslag een oproep aantreft tot morele wedergeboorte, een ethisch reveil, een communitarianistisch program of hoe het tegenwoordig ook mag heten. Gooi het boek in de prullemand. Klaar.

Boeken over de publieke moraal hebben de neiging te eindigen waar ze zouden moeten beginnen. Een oproep tot moreel besef vind ik prima, maar dan graag als begin van een verhandeling over het scheppen van de structurele voorwaarden om dat besef van de grond te krijgen.

Het nieuwe boek van Jos van der Lans, een serie 'beschouwingen over de publieke moraal', voldoet aan die voorwaarde. Hier is eindelijk eens iemand aan het woord die zich afzet tegen die gemakzuchtige gewoonte de burger te beschuldigen van immoraliteit en daarna hard weg te lopen. Jos van der Lans is nog van de generatie die aan de universiteit heeft geleerd dat eerst het vreten komt, dan pas de moraal. Aan die erfenis dankt hij, zo blijkt uit zijn zopas verschenen De onzichtbare samenleving, een grondige afkeer van culturalistische en moraliserende babbelpraatjes. De publieke moraal, is zijn uitgangspunt, kan in hoge mate worden gestuurd door een overheid die de juiste materiële voorwaarden schept. Verfrissend is ook dat Van der Lans zich afzet tegen het rijtje moedeloos makende modes van de jaren tachtig: deregulering, decentralisatie, privatisering, vermarkting. Waar het ons in toenemende mate aan ontbreekt, schrijft hij, is niet 'burgerzin' maar 'overheidszin'.

Wollig

Van der Lans draagt zijn boek op aan zijn overleden vader, een man die niet kon nalaten zich over alles en nog wat druk te maken: “het prototype van een klassieke vrijwilliger”. In dit boek poogt Van der Lans jr uit verschillende invalshoeken licht te werpen op het verschil tussen de wereld van zijn vader en die van vandaag. Grote lijn daarbij is dat we niet te nostalgisch moeten doen over wat verloren ging.

Of over wat alleen maar schijnbaar verloren ging, want volgens Van der Lans valt het heus wel mee met die publieke moraal van tegenwoordig. Hij laat dat zien aan de hand van uiteenlopende voorbeelden als de culturele betekenis van de telefoon, ons gedrag ten opzichte van de nieuwe 'straatbewoners' in de grote stad en de houding van autochtone buurtbewoners tegenover de 'onteigening' van hun vertrouwde domein door de toestroom van allochtonen.

Er is ook een hoofdstuk over 'de kwestie bemoeizorg', een vervolg op het pamflet Naar een modern paternalisme dat Van der Lans vorig jaar samen met Paul Kuypers schreef. De zorgsector stond op zijn achterste benen naar aanleiding van dit pleidooi om sociaal-psychiatrische patiënten niet meer, zoals vijftien jaar lang gebruikelijk was, aan hun lot over te laten in het kader van de heilige autonomie en non-interventie. Inmiddels is 'bemoeizorg', een meer directieve benadering van zulke patiënten, bijna overal aanvaard.

Opmerkelijk is dat Van der Lans in deze keuze voor een krachtiger interventie door 'hogerhand' veel minder rechtlijnig is als het niet om burgers gaat, maar om organisaties in het bestuurlijk krachtenveld. Hij pleit wel voor 'overheidszin' maar doet dat als het ware met de ene hand, terwijl hij met de andere schrijft dat het verlangen naar de overheid van vroeger nostalgisch en irreëel is.

Maar wat dan wel? Waar Van der Lans die vraag aan de orde stelt, vervalt hij al gauw in een wollig taalgebruik, dat het midden houdt tussen dat van Lubbers en van Rottenberg: “In een complexe wereld moet het publieke belang steeds opnieuw worden waargemaakt, steeds opnieuw moeten mensen, burgers en organisaties zich ermee kunnen verbinden. Het is dus nodig om steeds opnieuw partijen uit te nodigen zich aan het publieke belang te binden, het is vooral ook mobiliseren, engageren, stimuleren.” Als ik heel erg mijn best doe om me daarbij iets concreets voor te stellen, dan kom ik niet uit bij iets nieuws, maar veeleer bij iets ouds, iets van de afgelopen decennia, iets dat heel dicht bij dat vermaledijde rijtje decentralisatie- deregulering- privatisering ligt.

Spijbelen

Van der Lans citeert met instemming het recente rapport van de Wiardi Beckman Stichting De verplaatsing van de politiek. Bestuurders moeten afstappen van hun hoge zetel, 'responsief' zijn en 'stimulerend'. “In plaats van beslissen gaat het om ruimte creëren waarin betrokken partijen tot besluiten en oplossingen kunnen komen.”

Maar hoe zit het dan met Van der Lans' kritiek, uitgeoefend met de andere hand, op het klant-denken van de door de markt geïnfecteerde moderne overheid? Wat is het verschil tussen een pleidooi als dit en het modieuze gedoe met convenanten, regiovorming van onderop, netwerkbenadering en zelfregulering door het 'maatschappelijk middenveld'? De overheid die niet boven maar naast anderen staat, die minzaam toeziet hoe de partijen in de maatschappelijke arena de confrontatie aangaan, dat is een ontwikkeling die al lang spontaan op gang is gekomen.

Juist door die ontwikkeling waren het niet alleen psychiatrische patiënten die de afgelopen tien, vijftien jaar aan hun lot werden overgelaten. Hetzelfde lot trof de invaliden die gekort worden door de decentralisatie van de Wet Voorzieningen Gehandicapten. De hemofilie-patiënten die met HIV besmet raakten doordat de overheid de bloedbanken hun gang liet gaan met onverantwoordelijke methodes. De bona fide WAO-gerechtigden die nu moeten opdraaien voor het feit dat overheid en betrokken partijen jarenlang 'stimulerend' en 'responsief' bezig waren zonder dat iemand ingreep. De tweede-generatie-immigranten die naar hartelust konden spijbelen en op school mislukten doordat de onderwijsinspectie “ruimte creëerde waarin betrokkenen zelf tot oplossingen konden komen”.

Zoals de oplettende lezer duidelijk zal zijn, heb ik in de loop van deze recensie de waardevrijheid geheel uit het oog verloren. Dit is een boek waarover men zich weer eens ouderwets druk kan maken, geheel in de geest van de vader van de schrijver. Van der Lans heeft een 'grote greep' gedaan naar de publieke moraal, die begint waar hij beginnen moet: niet met een moreel appèl, maar met een bespreking van strategieën. Die bespreking prikkelt tot tegenspraak en brengt het debat dus verder.

1) NIZW, Utrecht, tel. 030-2306311.