Op Corsica wenkt de dood

DOROTHY CARRINGTON: The dreamhunters of Corsica

206 blz., geïll., Weidenfeld and Nicolson 1995, ƒ 63,-

Het eiland Corsica in de Middellandse Zee is in deze herfst aan een algemeen gevoel van malaise ten prooi. Het toerisme, nog altijd de belangrijkste bron van inkomsten voor de ongeveer 250.000 permanente eilandbewoners, heeft deze zomer enkele tientallen procenten onder dat in 1994 gelegen. De toeristen, jarenlang stelselmatig afgeschrikt door verhalen over bomaanslagen en banditisme op Corsica, lieten het massaal afweten nadat bij de SNCM, de maatschappij die het monopolie heeft op de ferry-verbindingen met het Franse vasteland, aan het begin van het seizoen stakingen uitbraken - aanleiding tot roerende reportages op alle Franse televisiezenders over gestrande reizigers.

De beeldvorming over Corsica werd er niet beter op, toen er zich aan het eind van de zomer vendetta-achtige taferelen gingen afspelen, waarbij leden van concurrerende gewapende organisaties elkaar om de beurt liquideerden. Het ging daarbij om rivaliserende vleugels van bewegingen voor de onafhankelijkheid of autonomie van Corsica, die - in de jaren zeventig begonnen met het innen van revolutionaire belasting voor de gewapende strijd - inmiddels voor een groot deel zijn verworden tot benden die 'beschermingsgeld' eisen, en veelal nog bijverdiensten hebben in andere illegale activiteiten.

Mythen

Deze reeks moorden, die vrolijk verder gaat ondanks een 'wapenstilstand' tussen de twee voornaamste stromingen, de Cuncolta en de MPA, brachten in de Corsicaanse maatschappij grote onrust teweeg. Alom werd de vrees uitgesproken voor een herleving van de vendetta, de familieveten die in Corsica nog niet zo heel lang geleden honderden levens per jaar plachten te eisen. “Iedereen is wel altijd van iemand anders familie”, verklaarde een eilandbewoonster haar bezorgdheid. “Op Corsica kennen we elkaar eigenlijk allemaal.” Ze was vooral blij met de vorming van een 'vrouwencomité voor de vrede' op Corsica. Want in de negentiende eeuw waren het op het eiland vooral de vrouwen die de vendetta onderhielden en de mannen opdracht gaven tot het moorden voor de familie-eer, in het kader van veten die soms eeuwen konden duren.

Deze zorgen, die voor de Corsicanen niets grappigs of ouderwets hebben, laten zien hoezeer op het eiland, onder een dun laagje modernisatie, de waarden van een meer traditionele samenleving nog dicht bij de oppervlakte liggen. Het is die traditionele samenleving, althans een aantal magische mythen ervan, die Dorothy Carrington, een Engelse die al zo'n vijftig jaar op Corsica woont, beschrijft in haar boek over de droomjagers, in het Corsicaans de mazzeri geheten.

De mazzeri, zowel mannen als vrouwen, gaan 's nachts op pad om te jagen. Op het moment dat zij hun prooi, een dier dus, doden, neemt deze het gezicht van een mens aan. De mens waaraan dit gezicht toebehoort, zal spoedig sterven, of althans valt hij of zij ten prooi aan een ernstige ziekte. De mazzeri jagen niet in werkelijkheid, zij jagen in hun, of andermans droom. Maar Carrington benadrukt dat dit laatste feit voor hun mythologische betekenis geen verschil maakt; essentieel is eerder dat ten aanzien van de mazzeri het onderscheid tussen droom en daad eigenlijk volstrekt vervalt.

Anders dan heksen in de Middeleeuwen bijvoorbeeld, vormden de mazzeri volgens Carrington geen voorwerp van haat of vervolging - hoogstens van vrees. Dit is te meer opmerkelijk omdat binnen elk dorp heel goed bekend was wie er de mazzeri waren, en dezen trouwens ook zelf hun rol met een zeker zelfbewustzijn speelden. Carrington vertelt kort na haar aankomst op het eiland, in de jaren veertig, nog mazzeri te hebben ontmoet. Naarmate het eiland echter werd aangeraakt door de modernisatie van de jaren zestig, bijvoorbeeld met de introductie van toerisme, zou het instituut van mazzeri zijn verdwenen.

Carrington, die van haar bewondering voor het eiland en zijn bewoners geen geheim maakt, heeft aan Corsica al verscheidene boeken gewijd. Zij is ook betrokken geweest bij de ontdekking van prehistorische monumenten bij het plaatsje Filitosa, rechtopstaande stenen waarin vaag menselijke trekken zijn gehouwen. De auteur houdt ervan in de geschiedenis van de Corsicanen sterk continue trekken te zien. De rode draad bij dit alles is de onverzettelijkheid van de Corsicanen, jegens tal van buitenlandse heersers, waarvan de Fransen sinds de achttiende eeuw slechts de laatsten zijn - na de Grieken, Carthago, Rome, Pisa, Genua en vele anderen.

De Engelse auteur drijft haar liefde voor de continuïteit wel heel ver, door te zeggen dat het instituut der mazzeri al zo'n negenduizend jaar oud is, dat wil zeggen veel ouder dan de ongeveer 5.000 jaar oude menhirs die bij Filitosa zijn gevonden. Deze conclusie berust mede op een vergelijking met de religieuze opvattingen van andere pre-agriculturele culturen. De mazzeri, vindt Carrington, kennen onderling geen onderscheid naar sekse of sociale klasse, en hun activiteit wijst derhalve op een oorsprong in een samenleving waar de mens zich met jagen en het verzamelen van voedsel in de natuur bezighield.

Ofschoon ik mij in kennis van mazzeri noch prehistorie met Carrington kan meten, heb ik toch de neiging zulke opvattingen met grote scepsis te bezien. Prehistorie werd en wordt maar al te vaak aangeroepen voor het projecteren van contemporaine voorstellingen en wensdromen, om aan zulke vèrgaande conclusies zomaar geloof te hechten. Het is ook wat vreemd, in dit verband, dat - zoals Carrington zelf constateert - het instituut der mazzeri nimmer de aandacht van de Inquisitie heeft getrokken, die nochtans actief in actie kwam tegen andere pre-christelijke religieuze gebruiken. De enige beschrijving van de mazzeri die Carrington heeft gevonden, dateert uit de jaren dertig van onze eeuw. Een ander vermoedelijk pre-christelijk gebruik, het zingen van een bepaald soort zangen (voceru) voor een dode - zoals Carrington die zelf ook nog heeft gehoord - kon zich daarentegen tot voor kort nog wel in de actieve bestrijding door de katholieke geestelijkheid verheugen.

Maar de betekenis van al deze gebruiken en de meeslepende beschrijving die Carrington ervan geeft, lijken me niet in de eerste plaats gelegen in hun datering. Ze geven eerder opnieuw aan dat er gebieden zijn in Europa (Corsica, Bosnië, Staphorst) waar de moderne samenleving, met haar tendens tot culturele, economische en politieke gelijkschakeling, zich maar met moeite weet te vestigen. Dat is geen zeer originele conclusie: in de negentiende eeuw schilderde Prosper Mérimée in zijn roman Columba al hoe door Frankrijk uitgezonden bestuursfunctionarissen met moderne ideeën over bijvoorbeeld misdaad en straf, op Corsica machteloos bleken tegenover een bevolking die er de voorkeur aan gaf haar geschillen eigenhandig met mes en geweer te beslechten.

En zo is het eigenlijk gebleven, getuige de jongste serie moorden, die het liefst op klaarlichte dag goed zichtbaar op drukke pleinen worden bedreven, als een evidente provocatie aan degenen die bezwaar zouden kunnen hebben tegen het principe van eigenrichting. En de reactie van de Franse staat op dit alles is niet een andere dan in de negentiende eeuw: in Parijs lijkt men de hoop op een volledige integratie van Corsica in de moderne samenleving te hebben opgegeven.

Onder druk van de politieke agitatie in de jaren zestig en zeventig - met name van de FLNC (Front de Libération Nationale de la Corse) die nu in rivaliserende benden uiteen is gevallen - is aan het eiland een vèrgaande status van autonomie toegekend, en de Corsicanen genieten het hoogste niveau van overheidssubsidies binnen Frankrijk; zelfs de staatssigaretten Gauloises zijn er goedkoper dan op het vasteland. Maar daar houdt de macht van de Franse staat een beetje op: Corsica heeft in verhouding het grootste aantal moorden binnen de grenzen van Frankrijk, en het kleinste aantal veroordelingen dienaangaande. Anders dan op het vasteland is de Franse staat er ook nauwelijks zichtbaar: je kunt op het eiland weken rondtrekken zonder ook maar één gendarme in uniform tegen te komen.

Staketsel

Het natuurschoon op Corsica is dit alles zeer ten goede gekomen. Door alle bomaanslagen, afpersingen en onrust in de afgelopen decennia is het eiland als een der weinige kusten in het Middellandse-Zeegebied ontsnapt aan de ontwikkeling van het massatoerisme. Af en toe kun je in woeste natuurgebieden nog wel een staketsel zien staan van een vakantiedorp, dat de investeerder van buiten het eiland maar heeft opgegeven. Het betekent wel dat Corsica extra hard getroffen wordt door de teruggang van het strandtoerisme, waarmee ook andere gebieden aan de Middellandse Zee worden geconfronteerd. Vervangende werkgelegenheid is er niet op het eiland, en daarom is de neergang van dit jaar - ik ken een café-eigenaar die vijftig procent minder omzet zei te hebben - niets minder dan een ramp.

Tot een terugkeer naar oude normen en gebruiken, zoals Carrington die zo fraai heeft bestudeerd, lijkt dit alles niet te leiden. Eerder lijkt een verdere ontwikkeling van het banditisme op het eiland waarschijnlijk, waarbij de oude principes van de vendetta een bijdrage vormen aan de rechtvaardiging van het moderne geweld. De dood wenkt, maar zonder de aankondiging door de mazzeri.