Ook zonder cyberspace is fotografie een wonderkamer; Techniek troef op fotobiënnale Enschede

Obsessies, van Wunderkammer tot Cyberspace (hoofdexpositie). T/m 26 nov. Rijksmuseum Twente, Lasondersingel 129, Enschede. Cat ƒ 24,50. Tevens exposities op zeven andere lokaties. Informatie: 053-4325812. Openingstijden alle exposities: di t/m zo 11-17u.

Wie nog twijfelde kan zich er in het Rijksmuseum Twente van vergewissen dat computermanipulaties in de digitale fotografie met de dag overtuigender worden. Het is mogelijk om, zoals het duo Anthony Aziz en Sammy Cucker bewijst, in portretten ogen, mond en neusgaten te vervangen door strakke huid zodat gezichten zonder gelaatstrekken verschijnen. Je kunt, zoals Maria Miesenberger, familiekiekjes uitvergroten en de afgebeelde personen vervangen door onherkenbare zwarte vlekken, die als spookverschijningen ronddwarrelen in toch zeer herkenbare situaties als een picknick in het bos, een kinderspelletje of een zondagmiddagwandeling.

Het is zelfs mogelijk om zoals Vibeke Tandberg doet, met behulp van de computer een uiterst geloofwaardig alter ego te creëren dat in Afrika verpleegster, schooljuf of landbouwconsulent speelt. En wie gaat dan niet even mee in de morbide fantasie van de maakster die zichzelf dood verklaart door een statig portret te voorzien van rouwlint en overlijdensadvertentie?

Obsessies, Van Wunderkammer tot Cyberspace heet de tentoonstelling waarin hun werk is opgenomen, en die de hoofdexpositie vormt van de zesde editie van de fotobiënnale van Enschede.

Het merendeel van de veertig door gastcurator Bas Vroege (oud-directeur van het voormalige centrum Perspektief en organisator van de oude fotografiebiënnales in Rotterdam) geselecteerde fotografen en media-kunstenaars maakt ruimschoots gebruik van de moderne technieken, zowel bij het vervaardigen als het presenteren van hun werk: computers, cd-roms, faxapparaten, videoschermen. In Enschede worden zelfs beelden geprojecteerd op een lappenpop en in het vizier van een M-16 geweer.

Het is tekenend voor de verandering die de biënnale van Enschede, de oudste van de vier nog bestaande Nederlandse fotomanifestaties, heeft ondergaan. Het oude concept, waarin Nederlandse fotografie werd gecontrasteerd met die uit een gastland (Engeland, Amerika, voormalig Tsjechoslowakije), is vervangen door een thematische opzet waarin de fotografische avant-garde centraal staat.

Gastcurator Vroege, die zich ook in het verleden al een warm pleitbezorger van het visuele experiment toonde, schetst in de catalogus (losbladig in grijskartonnen ringband; het heeft iets weg van de handleiding die je krijgt bij de aanschaf van sommige computerprogramma's) het vandaag de dag vaak gehoorde toekomstbeeld waarin de ervaring van de fysieke werkelijkheid verdrongen wordt door de interactie via netwerken. De foto als tastbaar object (Vroege gebruikt het beeld van de 17de-eeuwse Wunderkammer, waarin de verzamelaar voorwerpen uit de hele wereld bijeenbracht) zal worden vervangen door het realistisch ogende maar virtuele object dat slechts bestaat in de elektronische ruimte, in 'cyberspace'.

Wie echter meent dat het voorlopig zo'n vaart niet zal lopen, vindt in Enschede eveneens veel om zijn mening te staven. Je mag hier en daar wat met een muis door een computermenu grasduinen, en steevast verschijnt er wel een nieuw beeld op wand of beeldscherm.

Zo kunnen in In Rehearsel of Memory, een cd-rom van Graham Harwood, littekens op een lichaam aangeklikt worden om vervolgens 'het verhaal' erachter te kunnen bezien of beluisteren. Op dezelfde manier kun je je 'interactief' een weg zappen door het leven van de in Hongarije geboren en in 1956 naar Canada gevluchte George Legrady. Voor zijn An Anecdoted Archive from the Cold War verzamelde hij home movies, videobeelden uit Oost-Europa, boeken, familiedocumenten, propagandamateriaal en geluidsfragmenten, die zich naar believen laten oproepen.

Het is allemaal zeer inventief, maar het blijft meer puzzelen dan kijken, en na een paar minuten vraag je je toch af wat de meerwaarde van deze presentatie is boven die in een ouderwets boek. En precies daar wringt het een beetje met al die nieuwe media en technieken. Want op de keper beschouwd verkoopt de avant-garde vooral oude wijn in nieuwe, technisch vernuftig in elkaar genaaide zakken.

De zombies van Aziz en Cucker zijn technisch overtuigend; emotioneel en psychologisch is hun geloofwaardigheid slechts van korte duur. Wie let op lichtval en lichaamshoudingen ontdekt ook bij Tandberg al snel bij de neus genomen te worden. Waar het uiteindelijk telkens weer om draait zijn de illusionistische vermogens van het fotografische beeld. En dat is allerminst nieuw te noemen. Ten slotte is ook de gangbare fotografie waarheids- noch werkelijkheidsgetrouw.

De voorbeelden daarvan liggen ook voor het oprapen in Obsessies. Neem de bijna 200 kiekjes die door de Duitse kunstenaar Hans-Peter Feldman uit het privé-album van een anonieme Duitse vrouw werden gelicht: als jong meisje met lange vlechten in gebloemde zomerjurkjes, poserend op de stoep voor het huis, huiswerk makend aan de keukentafel, en, jaren later, op vakantie, kantoor en feestjes.

De foto's ogen authentiek, en er is dat zeer herkenbare verloop van de tijd waarin gelaatstrekken en postuur zich langzaam maar zichtbaar ontwikkelen. Ondanks het feit dat er geen enkel nader gegeven over de vrouw wordt verstrekt, neem je dan ook voetstoots aan dat ze werkelijk bestaat.

Maar echte zekerheid verschaffen de foto's niet, zoals ook die uit de archieven van fotobureau Loodwicks Press Images geen uitsluitsel geven over het bestaan van de Westfriese piloot Marius Laan (1914-1943). Ook in dit geval gaat het om doodordinaire foto's: Marius als jongeling in Venhuizen, zijn hond Keesje, grootvader Laan, een geploegde akker ('toonbeeld van netheid in de omgeving van Venhuizen'), Lancaster-vliegtuigen, 'Nel van de pilotenhulp' met wie de held een korte maar hevige romance had.

Net als de door Feldman gepresenteerde foto's is hun overtuigingskracht vele malen groter dan die van het digitale knip- en plakwerk. Het is enkel door de volstrekte willekeurigheid van de meeste foto's en de ironie van de onderschriften dat je gaandeweg nattigheid begint te voelen. Kortom: fotografie heeft cyberspace niet nodig om een Wunderkammer te zijn.

Het indrukwekkendste voorbeeld daarvan in Obsessies is wel het werk van de Brit Peter Kennard. Op zijn zwarte demonstratieborden is hier en daar vaag een afbeelding zichtbaar: een slogan, een klauwende hand, een in verband gewikkeld gezicht, streepjes zoals die op de muren van duistere kerkers worden gezet om het verstrijken van de dagen bij te houden. De borden zijn lukraak tegen de muur gekwakt in een emotioneel beklemmende uitstalling die het midden houdt tussen een kerkhof en een opslagplaats van geschiedenis.