Kloof

In de boekenbijlage van 4 november stond een ingezonden brief van prof.dr. R.B. Andeweg, hoogleraar Empirische politicologie te Leiden. Andeweg reageerde op een bespreking van Mark Kranenburg op 28 oktober van onder meer mijn boekje Kiezersonderzoek op een dwaalspoor. Daarin heb ik aannemelijk gemaakt dat vanaf 1967 een steeds groter deel van de niet in politiek geïnteresseerde burgers geweigerd heeft aan de veel tijd kostende Nationale Kiezersonderzoeken (NKO's) mee te werken.

In zijn brief slaat Andeweg op enkele punten de plank mis. Terwijl al door Stouthard in 1971, meermalen door het Sociaal en Cultureel Planbureau in de jaren '70 en '80 alsook door auteur dezes naar voren is gebracht dat vooral niet geïnteresseerde burgers weigeren aan het onderzoek mee te werken, bleven hoogleraren Politicologie en andere ervaren NKO-onderzoekers de resultaten van de betrokken onderzoeken publiceren alsof ze de werkelijkheid weerspiegelden. Dat het almaar stijgende percentage weigeraars voor een steeds ernstiger vertekening zorgde, is in NKO-publikaties nimmer terug te vinden. Voor zover het onderwerp ter sprake kwam sprak men alleen in abstracte zin over 'de non-respons'. Dat het binnen die non-respons de weigeraars waren die voor vertekening zorgen, treft men dan ook niet aan, ook niet in de recente publikatie De Nederlandse Kiezer 1994, afgezien van een enkele noot, al doet Andeweg alsof dat wel zo is. Ik schrijf in dit verband dat een hele generatie hooglerearen en ervaren onderzoekers het al jarenlang niet op kan brengen te erkennen dat vooral niet in politiek geïnteresseerde burgers weigeren mee te werken. Andeweg is bij uitstek de representant van deze 'school'.

Terwijl iedere goede socioloog weet dat steekproefresultaten geïnterpreteerd dienen te worden naar de omvang en achtergrond van de non-respons, leren politicologie-studenten in Leiden niet veel meer dan dat de omvang van de steekproef samenvalt met het totaal der respondenten. Daarbij maakt het blijkbaar niet uit of die non-respons 25 procent, zoals 25 jaar geleden, of zelfs 60 procent bedraagt zoals in de laatste twee NKO's. Dat de politieke interesse onder de wel meewerkende repondenten sterk is toegenomen in het onderzoek laat zich raden. Als de ontwikkeling doorzet is over dertig jaar nagenoeg iedereen in politiek geïnteresseerd, ook al wil nog maar 20 procent van de bevolking aan het onderzoek meewerken.

Volgens Andeweg concludeer ik in mijn pamflet ook dat de belangstelling voor politiek niet structureel is gedaald de afgelopen twintig jaar. In mijn boekje signaleer ik dat de politieke interesse vanaf het midden van de jaren '70 tot in de jaren '80 hoger lag dan voorheen. Waarschijnlijk vanaf het begin van de jaren '80, maar zeker vanaf het midden van de jaren '80 is een daling van de politieke interesse ingetreden, waarbij evenwel niet van een dramatische daling kan worden gesproken. Bespiegelingen dat de parlementaire democratie op sterven na dood is, kunnen ook niet op de door mij gepresenteerde gegevens gebaseerd worden.

Andeweg zou er ten slotte verstandig aan doen zijn kwalificaties zorgvuldiger te kiezen. Het herhaaldelijk aanduiden van mijn boekje als een pamflet is niet sportief. Een collega-politicoloog in Leiden, die toevallig bij een andere vakgroep werkt, steeds weer parlementair historicus noemen, kan slechts kinderachtig genoemd worden. Een hoogleraar in Leiden onwaardig.