Journalistieke ethiek

D.J. Cannegieter schreef een genuanceerde necrologie over Johan Huijts, hoofdredacteur van de NRC tijdens de bezettingsjaren (NRC Handelsblad, 4 november).

Huijts streefde naar “de standaarden van objectiviteit en betrouwbaarheid, die de NRC steeds gehuldigd heeft”.

Uit onderzoek in het archief van de Commissie voor de Perszuivering (CPZ) is mij gebleken dat Huijts niet de enige was die het begrip 'objectiviteit' in de mond nam. Voor de redactieleden was objectiviteit het begrip waarmee zij zich staande konden houden in deze moeilijke tijden. De voorbeelden hiervan die redacteuren in hun correspondentie met de CPZ noemen, wekken toch wel enige verbazing.

Zo stelt een redacteur dat zijn reisverslag van een nationaal-socialistische organisatie acceptabel was, omdat hij een 'objectief verslag' mocht schrijven. Een ander heeft over de Duitse vrouwenorganisaties 'korte, zeer objectieve stukjes geschreven'. De sterke traditie van journalistieke objectiviteit leidde er zelfs toe dat een der redacteuren achter zijn artikel over het Rijnland bleef staan, waarin hij schreef dat het met de door de geallieerden aangerichte schade wel mee viel.

Ook Huijts beriep zich bij zijn hoofdartikelen op het recht van de journalist alle kanten van het conflict te belichten. Hij bleef vasthouden aan zijn kritiek op geallieerde bombardementen, waar burgers nodeloos onder leden.

Cannegieter spreekt over de 'tragiek' van Huijts, maar die tragiek gold zeker ook een van de weinige redacties met een sterk ontwikkelde journalistieke ethiek; een ethiek die de bezetter in de kaart speelde.