'Het land is van ons, niet van de Arabieren'

Joodse extremisten hebben hun blijdschap getoond over de moord op premier Yitzhak Rabin, vorige week zaterdag. Maar in de joodse nederzetting Efrat op de Westelijke Jordaanoever wordt daarover anders gedacht. Erit Shalit bij voorbeeld wil vrede.

EFRAT, 11 NOV. Ze kookt strikt kosher. Als ze de straat opgaat, zet ze altijd een slap, vaalroze hoedje op met een katoenen ruiker erop. Ze stemt op de rechtse Likudpartij. En ze woont met man en vier kleine kinderen in Efrat, een Israelische nederzetting op de Westelijke Jordaanoever. “Veel mensen denken, een kolonist en nog een religieuze ook, die zal wel blij zijn dat Rabin dood is,” zegt Erit Shalit (34). “Zelfs mijn linkse ooms in Jeruzalem denken dat. Maar ik hield van Rabin. Ik ben sinds zaterdag compleet van slag.”

Shalit, een kleine, beetje verlegen vrouw die 14 jaar geleden uit Zweden naar Israel kwam, zit op de bank in haar huis in de Granaatappelbuurt van Efrat. De andere nederzettingen, hoog op de naburige bergen, blinken in de zon: spierwitte huizen met helrode daken, hoge watertorens, uitkijkposten van het leger. De Arabische dorpen, lager en beschutter op de hellingen, zijn moeilijker te onderscheiden. Ze zijn gebouwd van grijs-beige stenen en hebben platte daken. Onopvallend, alsof ze uit de berg zelf zijn voortgekomen. Op de kronkelweg achter de Granaatappelbuurt raast een witte Mitsubishi met Israelisch nummerbord een oude Palestijn op een ezeltje voorbij - precies zo'n Palestijn als op de geborduurde lap die de Shalits tegenover het bruine eiken wandmeubel hebben hangen. “Ze hoeven van mij niet weg, die Arabieren”, zegt Erit Shalit. “Onze jongens voetballen zelfs met de Arabieren van Abu Nis. Als de regering ons eigen, veilige wegen geeft waar de Arabieren niet overheen mogen rijden, ben ik dik tevreden.”

Shalit heeft het nadrukkelijk niet over Palestijnen, maar over Arabieren. Het woord 'Palestijn' betekent volgens haar dat 'die mensen' een historische claim kunnen leggen op de Westelijke Jordaanoever. Dat gaat haar te ver. “Ja zeg, wij horen hier, zo staat het in de Tora. Het land is van ons, niet van de Arabieren, ook al hebben ze dan destijds eigendomsbewijzen van de Turken gekregen. Maar van mij mogen ze hier best wonen.”

In Efrat wonen duizend families. De meesten zijn joden uit Zuid-Afrika, Frankrijk en Scandinavië, die er in de loop der jaren zijn neergestreken. Er is een shopping mall, een pizza take-away en een community center en dat staat er in het Engels op. Efrat wordt wel eens een yuppie-nederzetting genoemd. Als je nog nauwkeuriger wilt typeren, zegt Shalit, gebruik dan de steekwoorden 'academisch' en 'Tora'.

De huizen zijn ruim en er rijden grote stationcars rond, vol joelende kinderen. De mannen werken haast allemaal in Jeruzalem, de vrouwen zitten overdag thuis. Met kinderwagens lopen ze over de geschrobde stoepen, dikke sokken en lange wijde rokken aan, hoeden of haarzakjes op hun hoofd.

De mannen dragen hier allemaal een kippa, maar geen zwarte. Wie een bontgekleurde kippa op zijn achterhoofd doet, geeft een statement af: het betekent dat je traditioneel-joods bent, maar op een moderne manier. Erit Shalit gaat nooit op zaterdag naar het strand, want ze rijdt principieel geen auto op de sabbat. Maar dat haar buren dat wel doen (“de meesten gaan naar een en dezelfde plek, waar de liberalen weer nooit komen zwemmen”) zal haar een zorg zijn.

“Ik word zo ziek van al die buitenlandse journalisten die hier nu komen en alleen maar met extremisten willen praten” ,zegt ze. “Ze interviewen alleen mensen die afgeven op Rabin en erbij zeggen dat ze hopen dat Peres binnenkort ook overhoop geschoten wordt. Iedereen heeft zijn oordeel over de kolonisten al klaar. Alsof we allemaal terroristen zijn. Mijn verhaal interesseert ze niet.” Zij wil vrede, zegt ze, er is geen andere manier dan samen met de 'Arabieren' om de tafel gaan zitten en te onderhandelen over een oplossing.

Volgens Shalit was Rabin op de goede weg. Hij had een visie waar ze achter stond. Toen ze maandag naar de begrafenis keek op de televisie, had ze geblaakt van trots. Twee Arabische leiders die gekomen waren, Clinton die zo mooi sprak - zie je wel, had ze gedacht, de wereld erkent dat we hier zijn en dat hebben we aan Rabin te danken. Maar het probleem met Rabin was, zegt ze, dat hij zijn tijd tien jaar vooruit was. Hij wilde te snel, en begreep niet dat de meeste kolonisten hem absoluut niet meer konden volgen. “Hij had naar de nederzettingen moeten komen om ons uit te leggen wat er met ons zou gebeuren en vooral om ons garanties te geven over onze veiligheid.”

Maar Rabin kwam niet - niet naar Efrat in elk geval, de nederzetting die hij zelf in '67 had ingewijd. Rabin raakte geprikkeld toen de kolonisten hem begonnen uit te dagen. Hij werd woest toen ze een belendende bergtop bezetten waarop ze nieuwe huizen hadden willen bouwen die hij daar niet wilde hebben. Volgens hen was het hun bijbelse recht, ook al moesten er Palestijnen voor onteigend worden. Volgens Rabin sloegen zij aan alle kanten godsdienstige wartaal uit, “als propellers”.

In mei dit jaar stuurde hij 500 soldaten om ze van deberg te sleuren. De Palestijnen hadden daar juichend bij gestaan. Wat een afgang was dat geweest. En toen er een kolonist werd doodgestoken door een Arabier die had gezegd dat hij eieren in de aanbieding had, had Rabin smalend gezegd: “Ja, dan moeten jullie maar niet zo goedkoop eieren willen kopen.”

Shalit gaat niet zo ver als sommige andere kolonisten, die zeggen dat Rabin een wig heeft gedreven tussen de kolonisten en de andere Israeliërs. Ze zegt wel dat hij die wig veel groter heeft gemaakt dan ze al was. “Hij wilde van Israel een soort Nederland of Zwitserland maken. Ik weet best dat een heleboel Israeliërs dat prachtig vinden. De neef van mijn man, bij voorbeeld, een echte linkse diehard. Maar wij niet. Wij houden hier de joodse tradities in ere. Yom Kippur, oude liederen, joodse boeken, familiewaarden, voor ons loopt het als een kralensnoer door het leven. Voor de regering is dat allemaal niet belangrijk. Mijn grootste aanklacht tegen de regering is dat zij ons, de grootste Israel-supporters die je maar kan vinden, niet toestaat ons joods te voelen.”

In Efrat hebben de meesten nu het gevoel dat ze 'aan de andere kant van de grens met Israel' wonen. Het maakt ze waanzinnig bang. Hoe kan het, zeggen ze in de nederzetting, dat wij joden, die altijd die heilige blik in onze ogen hadden, zo diep zijn gezonken dat we de de hand slaan aan elkáár. Dan kijken we elkaar aan, zegt Shalit, en dan hoeven we niets meer te zeggen. “Want we denken allemaal aan lang geleden, toen onze tien stammen met elkaar begonnen te vechten.” Dat was de vorige keer dat het joodse volk verdreven werd.