Heimachine daalt neer op een concertvleugel

Concert: Radiohead. Gehoord: 9/11 Noorderligt, Tilburg. Herhaling: 4/12 Paradiso, Amsterdam.

Van een afstand is het bijna komisch om te constateren hoe de Engelse muziekpers struikelt over de zelf gecreëerde hype rond de opleving in de Britpop. Terwijl Blur en Oasis tegen elkaar uitgespeeld worden met de vraag wie zich de nieuwe Beatles mag noemen, het modieuze Menswear alweer lijkt te zijn afgedankt en de Ierse groep Ash naar voren wordt geschoven als next big thing, speelt de ware renaissance van de Britse popmuziek zich af in de schaduw van de publiciteit. Zanger Thom Yorke loenst een beetje, verft zijn piekhaar oranje en heeft het muizige lijf van het jochie dat bij de sportlessen altijd als laatste werd gekozen voor het voetbalteam. Radiohead moet het alleen van de muziek hebben, en die heeft zich in het zesjarig bestaan van de groep uit Oxford spectaculair ontwikkeld.

In eerste instantie leek Radiohead een 'one hit wonder', dankzij de hit Creep die in vier aanstekelijke minuten een ironisch commentaar gaf op de zelfhaat van de X-generatie. 'I wish I was special,' dreinde Yorke, 'but I'm a creep! I don't belong here!' Cruciaal voor het succes was het ongekend heftige gitaargeluid waarmee die woorden werden aangescherpt, alsof er een heimachine neerdaalde op een concertvleugel. Met drie gitaristen in de frontlinie zou Radiohead een lompe en traditionele gitaargroep kunnen zijn, ware het niet dat ze in hun samenspel een middenweg hebben gevonden tussen agressie en subtiliteit. Ed O'Brien en Jonny Greenwood spelen lang niet altijd tegelijk, terwijl Yorke regelmatig grijpt naar een akoestisch instrument. Het tweede album The Bends is daarmee een wonder van onderhuidse spanning, met ontladingen van emotie die in de gehaktbal-met-aardappelenmuziek van Oasis ondenkbaar zijn. Radioheads bijzondere positie in de Britse popmuziek wordt nog eens onderstreept door de bijdrage aan de binnen een dag opgenomen Help-cd voor Bosnië. Waar de meeste groepen op de automatische piloot hun standaardformule afdraaiden, leverde Radiohead het ontroerende liedje Lucky dat als geen ander de machteloosheid van een toeschouwer bij het oorlogsgeweld verklankt.

Tijdens concerten is Creep nog slechts een voetnoot bij het recentere repertoire, dat varieert van theatraal en bombastisch in My iron lung tot ingetogen en poëtisch in Fake plastic trees. De contrasten komen het mooist tot uiting in Nice dream; een verraderlijk zoete ballade die ontaardde in een nachtmerrie van dissonant gitaargekras. Thom Yorke behoort tot de meest gedreven zangers die de rockmuziek momenteel rijk is. Zijn hele lichaam spant zich bij zijn demonische falsetstemmetjes en zijn verkrampte gezichtsuitdrukkingen verraden de verbetenheid waarmee hij zingt over de angst dat het allemaal maar even duurt, dat hij spoedig uitgeblust zal raken en dat het rock'n'roll-bestaan hem van zijn idealen zal beroven. Voorlopig hoeft hij daar niet bang voor te zijn, want zelfs een dramatische versie van de James Bond-melodie Nobody does it better droeg het onmiskenbare, intense stempel van de groep waarvan bijna niemand hardop durft te zeggen dat het de beste van Engeland is.