Experts: geen voorkennis bij Borsumij-top

ROTTERDAM, 11 NOV. De advocaten van de voormalige bestuurders van Borsumij Wehry J. Noordam en A. van der Graaf hebben de druk opgevoerd om justitie te laten stoppen met het onderzoek naar beursfraude waarvan de twee worden verdacht.

Het Amsterdamse openbaar ministerie heeft vorige week van de verdediging drie rapporten van deskundigen ontvangen waarin zij stellen dat de voormalige top van het Haagse handelshuis niet kan worden vervolgd.

Justitie verdenkt Noordam en Van der Graaf ervan in december op de beurs te hebben gehandeld met effecten van het eigen bedrijf, terwijl ze op dat moment beschikten over voorkennis van de geplande aankoop van het bedrijf Stokvis. Misbruik van voorkennis is sinds 1989 strafbaar. De drie deskundigen, de hoogleraren P. van Schilfgaarde en M. Groenhuijsen en dr. G. Rietkerk komen echter allen tot de conclusie dat het soort effecten dat de beide bestuurders hebben gebruikt niet vallen onder de strafbepaling.

Op basis van de rapporten hebben de advocaten mr. L. Spigt en mr. J. Hoff officier van justitie mr. J. Wortel opnieuw gevraagd zo snel mogelijk te besluiten het onderzoek te staken en Noordam en Van der Graaf buiten vervolging te stellen. Justitie liet gisteren weten dat een besluit over vervolging pas valt als het onderzoek is afgesloten, hetgeen nog niet is gebeurd.

Noordam en Van der Graaf kochten op 2 december 1993 warrants van het eigen bedrijf die recht geven op termijn aandelen te kopen. Die effecten werden gekocht op het moment dat ze nog niet officieel op de beurs waren genoteerd, in de zogenaamde 'grijze handel'. Omdat in de wet die misbruik van voorwetenschap strafbaar stelt uitdrukkelijk staat dat het moet gaan om effecten “genoteerd op een erkende effectenbeurs” komen de drie rechtsgeleerden tot de conclusie dat de gewraakte transacties niet onder de strafbepaling vallen. Datzelfde geldt volgens hen voor gewraakte 'premie-affaires' die op 21 december zijn afgesloten.

Twee van de deskundigen waren vorig jaar getuige-deskundigen in de HCS-voorkenniszaak waarbij toenmalig Begemann-topman Joep van den Nieuwenhuyzen terechtstond. Groenhuysen was toen opgeroepen door het openbaar ministerie, terwijl Rietkerk optrad voor de verdediging. Aan de deskundigheid van de laatste plaatste het Openbaar Ministerie bij die gelegenheid vraagtekens.