CDA-strateeg Donner over de toekomst van zijn partij; 'De staat moet er voor zorgen dat het geen soepzooitje wordt'

DEN HAAG, 11 NOV. Indien het CDA had geregeerd, was er eergisteren geen rapport over de koers van de christen-democratie voor de komende 15 jaar gepubliceerd. Daarvan is J.P.H. Donner, voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), en één van de opstellers van het rapport Nieuwe wegen, vaste waarden, vast overtuigd. Hij zegt: “Als je in de regering zit, bestaat altijd de huiver dat zo'n rapport je positie ondergraaft. Theoretisch is dat onzin natuurlijk, maar zo werken die dingen nu eenmaal. De aanbevelingen worden meteen afgemeten tegen wat de ministers van je partij dagelijks doen en laten.”

Donner, zoon van de staatsrechtgeleerde prof. dr. A.M. Donner en neef van de schaker Hein Donner, was geen voorzitter van de zogeheten Strategische Beraadsgroep die woendag het rapport publiceerde. Dat was oud-minister en oud-Europees commissaris prof. mr. F.H.J.J. Andriessen. Wie echter de inhoud van het rapport legt naast hetgeen Donner de laatste twee jaar heeft gezegd en geschreven, is hoogstwaarschijnlijk het belangrijkste lid van de beraadsgroep op het spoor, hetgeen hijzelf ten stelligste ontkent. Tussen het rapport en Donners uitlatingen bestaan echter verrassende parallellen.

Zo was Donner twee jaar geleden lid van de commissie die het verkiezingsprogramma van het CDA opstelde en daarin de afschaffing van het minimumloon bepleitte. Mei van dit jaar zei Donner tegen Vrij Nederland: “De discussie rond het mimimumloon moet er één zijn waarbij je het minimumloon los laat maar niet het sociaal minimum. Als iemand een baantje onder het minimum heeft moeten wij zijn salaris aanvullen tot hij het minimumloon heeft.” Het was precies dit standpunt dat de commissie-Andriessen twee dagen geleden naar buiten bracht.

Twee jaar geleden brak in uw partij groot tumult uit over de voorgestelde afschaffing van het minimumloon. Nu ziet het CNV in uw rapport een herstel van het sociale gezicht van het CDA. Hoe is dat mogelijk?

“Omdat we twee jaar geleden de indruk wekten dat we, met de afschaffing van het minimumloon, ook het sociaal minimum overboord wilden gooien. Maar dat wilden we toen helemaal niet. We wilden destijds alleen een discussie voeren over de vraag welke arbeid we in het systeem willen hebben. Omdat we het sociaal minimum gekoppeld hebben aan het minimumloon, hebben we alle arbeid die minder oplevert dan het sociaal minimum weggedefinieerd. Maar de markten worden steeds internationaler. Daardoor is ook de arbeidsmarkt uitgebreid met zo'n drie, vier miljard mensen die hetzelfde werk wat wij wegdefiniëren, wel doen.

“In zo'n situatie kan je niet meer - wat wel kon in een afgesloten systeem - de totale welvaart op de vaste bodem van het minimumloon zetten en de rest wegdefiniëren. Dat leidt er toe dat mensen langdurig uit het arbeidsproces worden uitgestoten. Dat dwingt je op een gegeven moment om te zeggen: 'Ik heb enerzijds het sociaal minimum, datgene wat een samenleving nodig vindt voor iemand om te kunnen leven. Maar anderzijds wil ik een systeem waarin iedereen werkt die kan werken. Als dat werk minder oplevert dan het sociale minimum, dan mag je een beroep doen op de sociale zekerheid voor een aanvullende uitkering.' ”

Is dit de enige reden waarom augustus 1993 wel de pleuris uitbrak en nu niet?

“Het had ook te maken met de aard van het stuk. Twee jaar geleden betrof het een verkiezingsprogramma. Dat gaat over voornemens voor de komende vier jaar. Dan moet je de voorstellen misschien wat scherper neerzetten. Ons stuk gaat over de vraag waar je naar toewilt. Dat sluit overigens nog steeds niet uit dat er in de partij een fors debat over het minimumloon kan ontstaan.”

Het standpunt van de beraadsgroep over het minimumloon vormde niet de enige echo van Donners eerder ingenomen standpunten. In mei van dit jaar trad de WRR-voorzitter op tijdens een wetenschappelijk symposium in Den Haag over de toekomst van de christen-democratie. Daar bepleitte Donner versterking van het gezag van de overheid om de verbrokkeling in de samenleving tegen te gaan. Dat gezag was ondermeer ondermijnd doordat de verzorgingsstaat de sociaal-economische zekerheden die ze tot dan toe aan haar burgers had geboden, steeds minder kon garanderen. Ondertussen dreigt steeds meer de samenhang in de samenleving zelf verloren te gaan, aldus Donner, terwijl de overheid op dat gebied minstens zulke belangrijke taken heeft. Ook deze analyse keert in het rapport van de Strategische Beraadsgroep terug.

Volgens uw rapport kan de overheid de komende decennia steeds minder sociaal-economische zekerheden bieden. Daarentegen moet ze sociaal-culturele zekerheden versterken door een actief gezinsbeleid te voeren. Waarom?

“Het gezinsbeleid moet u zien als een onderdeel van een breder beleid gericht op de structuur en de kwaliteit van de samenleving: een fundamenteler waarde dan hetgeen de verzorgingstaat de afgelopen vijftig jaar heeft geprobeerd te bereiken. De afgelopen halve eeuw hebben we de fout gemaakt dat we de staat zijn gaan beschouwen als een instrument om mensen beter te maken. Ook de christen-democratie heeft zich daarin laten meeslepen. We willen nu terugkeren naar de primaire functie van de staat als instituut. Je hebt het instituut staat nodig om überhaupt samenleven mogelijk te maken. De overheid is er niet om mensen beter te maken. Die is er primair omdat de mensen de neiging hebben er een soepzooitje van te maken. Wij keren terug naar de analyse van Thomas Hobbes dat samenleven geen kwestie is van goede wil, maar van ordening om mensen uit elkaar houden. Christen-democratische politiek beschouwt de staat niet als instrument van naastenliefde; het gaat vooral om een visie op de samenleving en de functie van de staat daarin.”

Waarom is voor dat samenleven een actiever gezinsbeleid nodig dan nu? Driekwart van de mensen leeft al in een gezin. Bovendien constateert uw rapport dat Nederland een hoge organisatiegraad kent, dus met de verbrokkeling in de samenleving valt het ook wel mee.

“Maar wie zegt dat dit zo blijft? Dat dit nu nog het geval is, hoeft niet te betekenen dat dat over tien jaar nog zo is. De grote mate van individualisering is op een heleboel terreinen mogelijk geworden, omdat de overheid de afgelopen decennia de bescherming van het individu op zich heeft genomen. Maar diezelfde overheid zal daar in de toekomst door de internationale omgeving steeds minder toe in staat zijn. Nu kunnen individualisering en gezin misschien nog samengaan, maar als de bescherming door de staat van het individu onder druk komt te staan, moet je meer aandacht besteden aan wat nog wel bescherming aan dat individu kan bieden zoals het gezin. Je zult je moeten afvragen of regels die dat nu nog tegenwerken, wel gehandhaafd kunnen blijven.

Minister Melkert lijkt daar al meer bezig. Hij heeft eergisteren meer ruimte in de CAO's voor zorgverlof voor opvoedende ouders bepleit en een betere aansluiting van school- en werktijden.

“Het is mooi dat minister Melkert onze zorgen deelt, maar hij heeft sterk de neiging om vanuit de overheid te redeneren. Het grote gevaar van regels waarmee de overheid het concrete eindresultaat wil beschermen - in dit geval dat ouders meer zorg aan hun kinderen kunnen geven - is dat ze vaak averechts werken. Dat zie je in de hele sociale zekerheid. Als overheid kun je taken tussen man en vrouw niet herverdelen. Dat leidt tot een dwangapparaat.

“Voor zover Melkert een beroep doet op de sociale partners om zorgverlof te regelen, dan zeg ik prima. Want daar heb je inderdaad de werkgevers en werknemers voor nodig. Tegelijkertijd hebben Melkert en de rest van het kabinet de sociale partners minder invloed op het beleid gegeven. Dit kabinet loopt heel hard in het uitschakelen van georganiseerde belangen, te hard. Melkert werkt zichzelf daarmee tegen.

Waarom pleit u in het rapport niet voor een minister van familiezaken zoals fractieleider Heerma deed?

“Dat is een kwestie van uitvoering waar we ons als Strategisch Beraad minder mee bezig hebben gehouden. Persoonlijk ben ik bang dat als je zo'n minister in het leven roept, andere departementen zullen zeggen: O, daar hoeven wij ons geen zorgen over te maken, want dat gezinsbeleid is het belang van de minister voor familiezaken. Hoe meer aspecten je van het algemene overheidsbeleid afscheidt, des te groter wordt het risico dat andere ministers daar geen aandacht aan besteden.”

Het CDA-rapport van Donner en Andriessen is niet alleen een poging de koers voor de toekomst te definiëren. Het lijkt ook te moeten bijdragen tot het hervinden van de middenweg voor de christen-democratie tussen liberalisme en socialisme. Het schrappen van het minimumloon zal de VVD als muziek in de oren klinken. Het creëeren van goede overheidsvoorzieningen voor mensen die niet meer kunnen werken zoals gehandicapten en bejaarden zal de PvdA goed uitkomen.

Donner bestrijdt echter dat het Strategische Beraad van het CDA heeft geprobeerd na alle turbulentie van de afgelopen twee jaar, de middenweg voor de christen-democratie terug te vinden. Integendeel, hij gelooft niet meer in de oude tegenstellingen. Donner ziet een politieke situatie ontstaan die enigszins doet denken aan het begin van deze eeuw toen christelijke partijen tegenover liberalen en socialisten stonden.

Donner: “Sociaal-democraten en liberalen gaan allebei uit van het schema individu en staat of markt en staat. Dat schema is tweehonderd jaar oud en kon een belangrijke rol spelen zolang de nationale staat in een relatief afgesloten omgeving functioneerde. De sociaal-democraten konden de staat gebruiken om greep te krijgen op de markt en zo exploitatie van arbeiders te voorkomen. Door de internationalisering lukt dat steeds minder terwijl de sociaal-democratie nu erkent dat ook de arbeidsmarkt een markt is.

“Anderzijds gaan liberalen allang niet meer uit van de heiligheid van de markt. Dat levert de basis op voor een toenadering tussen liberalisme en sociaal-democratie. Je ziet dat al bij het paarse kabinet waar een vrij pragmatische mix van markt en overheid tot stand komt. Wij hebben echter een heel andere benadering: niet vanuit het schema individu-staat, maar de invalshoek van de kwaliteit van de samenleving. Misschien dat dit nieuwe scheidslijnen oplevert. Voor de democratie zou dat niet slecht zijn. Dan valt er weer iets te kiezen.”