Bezeten door boekengekte

NICHOLAS A. BASBANES: A Gentle Madness. Bibliophiles, bibliomanes, and the eternal passion for books

638 blz., geïll., Henry Holt & Co 1995, ƒ 65,60

P. ALESSANDRA MACCIONI RUJU en MARCO MOSTERT: The Life and Times of Guglielmo Libri (1802-1869). Scientist, patriot, scholar journalist and thief. A nineteenth-century story

448 blz., geïll., Verloren 1995, ƒ 79,-

Van alle relaties die de mens onderhoudt, is die met het boek misschien wel het meest zonderling, het meest ondoorgrondelijk en het meest geneigd tot pathologische uitwassen. De grenzen tussen bibliofilie, bibliomanie, bibliofobie, bibliognosie, bibliolatrie, bibliofagie, bibliosofie, en het kopen van een pocketboekje bij de Bruna zijn vaag en worden dikwijls ongemerkt overschreden. De uitdrukking 'Toon mij uw boekenkast, en ik zeg u wie u bent', wordt zelden meer gehoord, maar dat wil niet zeggen dat boeken de menselijke ziel tegenwoordig onberoerd laten. Integendeel, boeken wekken nog steeds ijdele statusgevoelens, onbekommerd genot en naakte hebzucht op. Dat gaat dieper dan menig lezer en recensent denkt, want als de psychoanalyticus Norman S. Wiener uit Philadelphia gelijk heeft, zijn boeken bij uitstek geschikt “ter bevrediging van orale, anale en fallische driften”, en dienen zij als 's mensen machtigste middel tegen de castratie-angst.

Geen wonder dat deze geleerde in zijn bijdrage aan The Psychoanalytic Quarterly (1966, no. 35: 217-35) concludeerde dat ware bibliomanie alleen onder mannen voorkomt. Daarin was hij trouwens abuis, want er zijn wel degelijk vrouwen onder de hartstochtelijkste boekenverzamelaars. Een bekend collectioneur was koningin Christina van Zweden, die haar generaals tijdens de Dertigjarige Oorlog bevel gaf alle bibliotheken van de vijand tot de laatste incunabel leeg te plunderen. Daarnaast kocht zij de mooiste collecties van haar tijd (waaronder die van Hugo de Groot en Gerard Vossius), en liet zij zich over het boek onderwijzen door de grootste geesten die destijds te huur waren (zoals René Descartes, die snel weg was toen bleek dat de koninklijke hoogheid om vijf uur 's ochtends met de lessen wenste te beginnen). En nog in 1986 en 1987 incasseerde Estelle Doheny uit Californië 37,4 miljoen dollar voor haar bibliotheek. Zij bracht daarmee de meest lucratieve boekenveiling aller tijden op haar naam.

Zo mooi loopt het niet altijd af met bibliomanen. De negentiende-eeuwse filosoof Jean Baptiste Bordas-Demoulins stierf jammerlijk van gebrek en ondervoeding, omdat hij al zijn geld spendeerde aan zijn bibliotheek. De componist en verzamelaar Charles Henri Valentin Morhange werd verpletterd onder een overbeladen boekenkast toen hij van de bovenste plank een manuscript wilde pakken. En de befaamde oudhistoricus Theodor Mommsen, winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur in 1902, stak zichzelf in brand toen hij op 85-jarige leeftijd met een kaars een boek in zijn uitpuilende bibliotheek zocht. Niet voor niets noemde J.C. Bloem boeken 'een vloek', omdat ze 'een nooit te verzadigen bezitzucht' oproepen.

Wie wil lezen van de gevaren, de aberraties en de fragiele geneugten die het boek in de mens teweegbrengt, kan terecht bij twee bijzondere aanwinsten op het gebied van de bibliomanie - de enige hobby die zijn naam gaf aan een ziektebeeld. In A Gentle Madness bericht Nicholas Basbanes, zelf een obsessief verzamelaar en bij sommigen bekend als voormalig literair redacteur van de Sunday Telegram uit Worcester, over de geschiedenis, de huidige staat en de meest onvermoede aspecten van boekengekte. Acht jaar lang was hij doende met onderzoek en met honderden interviews ter voorbereiding van zijn 638 pagina's tellende betoog, dat deels studieus is en deels journalistiek, een verpletterende hoeveelheid weetjes bevat en zich desalniettemin in een ademtocht of twee laat uitlezen.

Vuilnisbakken

Tussen alle gedetailleerde informatie over de samenstelling van collecties, prijzen van zeldzame manuscripten, tenenknijpende spanningen op veilingen waar soms in anderhalve minuut besloten wordt over aankopen van miljoenen guldens, en de verbijsterende avonturen van collectioneurs die nog steeds incunabelen uit vuilnisbakken weten op te diepen, is de boodschap van dit boek duidelijk. Bibliomanie, de beschaafdste van alle gektes, is van onmetelijk belang geweest voor het ontstaan van de belangrijkste bibliotheken ter wereld. Het aardige van privé-collecties is immers dat zij hun bezitter overleven. Onafwendbaar komt het moment dat het resultaat van de nooit bevredigde bibliomane hebzucht vrijkomt en verdeeld kan worden onder andere hebzuchtigen.

Basbanes bestrijkt het palet van de bibliomanie vanaf de uitvinding van het woord (door Lord Chesterfield, die zijn onwettige zoon op het hart drukte te waken voor deze gevaarlijke passie), via de verzameling van Ian Fleming die zijn met James Bond verdiende geld belegde in een exquise bibliotheek, tot Stephen Blumberg uit Ottumwa, Ohio, waarschijnlijk de grootste boekendief van de moderne tijd.

De ontmoeting met deze kampioen der bibliokleptomanen vormt het raamwerk waarbinnen de hooggestemde woorden over wiegedrukken, 38 miljoen dollar kostende manuscripten van Da Vinci en 36-regelige Guttenbergbijbels hun juiste perspectief krijgen. Blumberg stal de afgelopen jaren uit louter hebzucht 23.600 zeer kostbare boeken uit 268 bibliotheken in geheel Amerika. De waarde van zijn buit werd op 5,5 miljoen dollar geschat. Zijn straf van zes jaar cel kon hem niet ervan overtuigen dat hij geen belangrijke culturele daad had verricht.

Een andere wonderlijke boekfetisjist uit onze tijd wordt trouwens niet in A gentle madness genoemd. Vorig jaar bleek dat de Engelse kalkoenenslachter Duncan Jevons zijn rijtjeshuis gevuld had met 50.000 gestolen boeken. Hij kreeg vijftien maanden cel, en de justitie was vrijwel al die tijd bezig de boeken terug te bezorgen bij de rechtmatige eigenaars. Tenslotte besloot men de laatste 10.000 exemplaren ter veiling aan te bieden. In de sjieke Antique Trade Gazette werd officieel melding gemaakt van een “verzameling inzake een enorm aantal onderwerpen, afkomstig van een ingezetene die is veroordeeld wegens diefstal uit bibliotheken, instituten, kathedralen, kerken, scholen, en winkels uit alle windstreken van Engeland”. Thans hanteren Britse antiquariaten al het keurmerk 'afkomstig uit de Jevons-collectie'.

Guglielmo Libri

Toch is het onwaarschijnlijk dat Duncan Jevons ooit de faam zal bereiken van de bekendste boekenrover aller tijden. Dat is de Italiaan Guglielmo Libri, die leefde van 1802 tot 1869. Hij was geen kalkoenenslachter maar wis- en natuurkundige, hoogleraar in Pisa en aan de Sorbonne, lid van de Académie des Sciences en het Collège de France. Bovendien was hij strijder voor de Italiaanse eenheid, en bemoeide hij zich - in ieder geval verbaal - met de revoluties van 1830 en 1848. Hij was ook een pathologische dief en vervalser. Deze hoogleraar jatte niet af en toe een boek, maar verscheepte karrevrachten handschriften en incunabelen uit bibliotheken naar zijn eigen uitpuilende appartement. Daar vervalste hij met grote zorg titelbladen en stempels om verkoop mogelijk te maken. Vervolgens maakte hij liefdevol verantwoorde catalogi voor de veilingen waarop hij zijn gestolen waar aan de man bracht. Over deze kleptomane uomo universale verscheen onlangs een kloeke biografie van de Italiaanse historica P. Alessandra Maccioni Ruju en de Amsterdamse mediaevist Marco Mostert. The Life and Times of Guglielmo Libri is het verhaal van een leven waarin wanen en ambities, feiten en fictie eerst op drift en tenslotte geheel verknoopt raakten. Zeven jaar lang werkten Maccioni en Mostert naast hun eigenlijke universitaire taak aan dit boek, in feite 'een uit de hand gelopen hobby', zoals de laatste in het Historisch Nieuwsblad opmerkte.

Die inspanning is niet vergeefs geweest. De zeer leesbare studie over een talent dat op de klippen liep in een turbulent tijdsgewricht, mag dan wel door verliefdheid op het onderwerp af en toe wat uitgesponnen zijn, een niet geheel economisch notenapparaat van 60 bladzijden hebben, en tamelijk veel lange citaten bevatten, dat het hier gaat om een definitief standaardwerk staat wel vast. Nadat drie eerdere biografen letterlijk dood bleven in hun pogingen, is dat een mooie prestatie, al blijft Libri eerder curieus dan belangrijk.

Guglielmo Bruto Icilio Timoleone Libri-Carrucci Dalla Sommia werd geboren op 2 januari van het jaar 1802 (of 1803) in Florence als zoon van een oud adellijk geslacht. Zijn moeder Rosa vertroetelde hem op een ziekelijke manier en zijn vader Giorgio was een excentrieke fantast, die vluchtte naar Frankrijk, het land van zijn held Napoleon, vervolgens 'een odyssee door het gevangeniswezen' maakte, en na een korte carrière als adviseur van de Nederlandse koning Willem I ten slotte in 1836 een roemloze dood stierf in Den Haag.

Intussen was het vanaf het eerste moment duidelijk dat Guglielmo een buitenbeentje was. Koud vijftien jaar oud begon hij aan de Universiteit van Pisa een wirwar van studies, maar specialiseerde zich tenslotte in wiskunde. Een jaar later was hij al secretaris van het plaatselijk wetenschappelijke genootschap en niet lang na zijn eenentwintigste verjaardag werd hij hoogleraar. Tijdens zijn colleges behoorde hij doorgaans tot de jongsten in de zaal, maar het didactische vuur doofde al snel. Een jaar na zijn aanstelling wist Libri een onbeperkt ziekteverlof te ritselen - met behoud van titel en salaris. Zijn zinnen had hij gezet op Parijs, destijds het centrum van de wereld. Al snel drong hij door tot de salons die er toe deden en omstreeks deze tijd staken tekenen van boekengekte de kop op. Hij had als twaalfjarige zijn eerste zeldzame werken aangeschaft, maar nu pakte Libri de zaak grootschalig aan.

In 1824 had de prestigieuze Accademia dei Georgofili hem gevraagd in Parijs boeken aan te schaffen, om hem na terugkeer tot bibliothecaris te benoemen. Het duurde niet lang of het gemis van ten minste driehonderd werken uit de verzameling werd ontdekt. Het was een veeg teken van wat komen ging.

Door een zonderlinge stuip in de geschiedenis werd Libri in 1841 door de Franse overheid aangesteld als inspecteur der bibliotheken. Deze positie gaf hem onbeperkte toegang tot alle verzamelingen met manuscripten, handschriften en boeken van onpeilbare waarde. Slechts zelden beschikten de bibliotheken over catalogi of inventarislijsten, en meestal waren het schatkamers die zonder bescherming aan hun lot werden overgelaten. Diefstal was niet ongewoon, maar het spoor van roof dat de verzamelzieke inspecteur trok, was ronduit buitensporig.

Gerechtelijk onderzoek

Er ging geen bibliotheekbezoek voorbij of er verdwenen wel een stuk of honderd handgeschreven bladen van Leonardo da Vinci in zijn tas, of een stapel unieke middeleeuwse wiegedrukken, dan wel ten minste een manuscript van Dantes Divina Commedia. Libri zag er niet tegenop pagina's uit incunabelen te scheuren, openlijk met stapels boeken weg te lopen of zijn buit van de ene bibliotheek te koop aan te bieden bij de andere. Ten slotte herbergde zijn Parijse woning vele tienduizenden boeken en zo'n negentienhonderd unieke handschriften.

Toen hij in 1847 een veiling organiseerde van zijn collectie, wat zijn finest hour als gentleman-collectioneur had moeten worden, escaleerden de geruchten die hem al jaren hadden achtervolgd in plannen voor een serieus gerechtelijk onderzoek. Libri achtte zich door zijn fijnzinnige vervalsingen van herkomstvermeldingen ontkwetsbaar. Maar de geschiedenis haalde hem onverwachts in: de Februari-revolutie van 1848 leidde tot openbaarmaking van zijn dossier.

Libri was zesenveertig jaar, op het hoogtepunt van zijn academische roem, maar hij moest vluchten als een dief. In Londen vernam hij dat hij bij verstek tot tien jaar was veroordeeld, en de rest van zijn leven zou in het teken staan van publieke zelfrechtvaardigingen, steeds meer verdenkingen, onderzoeken, processen en immer voortgaande catalogisering en veiling van boeken, slechts afgewisseld door de publikatie van talloze apologetische pamfletten.

Op 28 september 1869, om elf uur 's avonds stierf Guglielmo Libri in zijn geboortestad Florence. Hij werd door weinigen betreurd, hoewel een oude vriend in The Times nog een gloedvolle necrologie schreef. Daarmee was 'de affaire Libri' nog lang niet ten einde. Pas langzaamaan werd echt duidelijk op welke schaal Libri had gestolen en gezwendeld. Pas tegen het einde van de eeuw was de omvang van zijn bibliomane bezigheden enigszins duidelijk in kaart gebracht en was een deel van de buit terug op de plaats van herkomst.

Maccioni Ruju en Mostert verklaren Libri's gedrag uit een combinatie van karaktertrekken (waaronder 'a hyperactive brain') en uit sociaal-historische oorzaken. Zij wijzen erop dat het hem als gepassioneerd boekenliefhebber eenvoudigweg als misdadig voorkwam om unieke manuscripten in slecht beheerde bibliotheken te laten wegkwijnen. Het is waar dat de affaire-Libri bijdroeg aan de verbetering van het beheer der boeken en handschriften in Europa. Te suggereren dat hij meer slachtoffer van de omstandigheden was dan dader, zoals sommige van zijn apologeten deden (en soms nog doen), is echter onjuist. Zoals de auteurs terecht concluderen was Guglielmo Libri een boekendief - een interessante boekendief, maar een boekendief. Hij maakt nieuwsgierig, maar zoals alle boekendieven, ook een beetje misselijk.