Bancair buigen voor de tijdgeest

LOTHAR GALL, GERALD D. FELDMAN, HAROLD JAMES, CARL-LUDWIG HOLTFERICH, HANS E. BÜSCHEN: The Deutsche Bank 1870-1995

946 blz., geïll., Weidenfeld & Nicolson 1995, ƒ 113,60

De Deutsche Bank heeft voor haar geschiedschrijving een voortreffelijk tijdstip gekozen. Toen in het voorjaar van 1989 het plan ervoor werd gemaakt, viel niet te voorzien dat Duitsland het jaar daarop herenigd zou orden. Een gelukkige omstandigheid was dat daardoor de in Oost-Duitsland gelegen archieven van de bank beschikbaar kwamen voor onderzoek. De Deutsche Bank was oorspronkelijk in Berlijn gevestigd. Na de Tweede Wereldoorlog werd Frankfurt haar hoofdzetel.

In het streven naar onafhankelijkheid paste het dat het werk, in periodenverdeeld, werd toevertrouwd aan vijf hoogleraren, onder wie twee van Amerikaanse universiteiten: Gerald D. Feldman van Berkeley voor het tijdvak 1914-1933 en Harold James van Princeton voor de nazitijd. Lothar Gall (Frankfurt) nam het deel 1870-1914 voor zijn rekening, Carl-Ludwig Holtfrerich (Berlijn) de naoorlogse jaren tot 1957. De afsluitende periode tot 1995 ging naar Hans E. Büschen (Keulen), hoogleraar in de bedrijfsadministratie, met het bankwezen als specialisatie. Diens tekst beslaat 270 bladzijden van het totaal van 796 dat The Deutsche Bank 1870-1995 beslaat, ongerekend voetnoten. Dat is veel te lang.

Ook los van de lengte ligt er bij het laatste hoofdstuk een breuk. Tot dan laat het verhaal zich lezen als een spiegel van de Duitse geschiedenis sinds 1870, met als intrigerend thema de nauwe relatie van de Deutsche Bank tot de economie en de politiek van het keizerrijk, de republiek van Weimar en de nazi-tijd. Knap is dat de desbetreffende hoofdstukken van Gall, Feldman en James een eenheid vormen die de lectuur tot een spannende ervaring maakt. Vanaf 1945 vermindert dit. De afwikkeling van de oorlog en de terugkeer naar normale verhoudingen zijn belangwekkend, maar weinig emotionerend. En na 1957 volgt het relaas de lijnen van expansie tot internationaal financieel conglomeraat, die we ook van andere banken kennen. De Deutsche Bank is een 'normale' bank geworden, niet langer verbonden aan het streven naar wereldmacht en overheersing. Vóór 1945 kon zij zozeer vereenzelvigd worden met de staat dat men haar wel voor de Deutse centrale bank hield, destijds Reichsbank genaamd.

Onstuimige groei

Het is dan ook de periode 1870-1945 die een breed lezerspubliek kan boeien. De Deutsche Bank was in 1870 te Berlijn opgericht en gevestigd ten behoeve van de financiering van de export en de industriefinanciering. Ten aanzien van het eerste aspect bestond het streven onafhankelijk te worden van de Britse banken. De industriefinanciering bracht mee dat bestuursleden van de bank in talrijke raden van commissaren van gelieerde ondernemingen zitting namen.

Groot geworden met de onstuimige groei van de Duitse volkshuisvesting raakte de Deutsche Bank betrokken bij het expansieve streven van het keizerrijk, met als bijzonder voorbeeld haar aandeel in de totstandkoming van de Bagdad-spoorweg sinds 1899. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog behoorde de Deutsche Bank tot 's werelds grootste banken. Binnenslands en overzee bezat zij een uitgebreid net van kantoren.

In de jaren 1914-1933 volgen de schokkende gebeurtenissen van de Eerste Wereldoorlog, de fnuikende herstelbetalingen en het begin van de grote economische depressie. Vooral de Bagdad-spoorweg werd een financiële nachtmerrie voor de Deutsche Bank. Een lichtpunt was haar betrokkenheid bij stichting en ontwikkeling van de Universum-Film Aktiengesellschaft (UFA) sinds 1917, een prachtig verhaal binnen dit boek. Jaren van wankel economisch herstel eindigden in september 1929, even vóór de ineenstorting van Wallstreet, met de fusie van Deutsche Bank en Disconto-Gesellschaft, de culminatie van voorafgaande bankconcentratie en parallel aan de industriële concentratie.

Dan staat de meest hachelijke periode voor de deur. Na de verkiezingen van september 1930, die 107 nazi's in de Rijksdag brachten, was de relatie van de Deutsche Bank tot de aanstormende machtshebbers actueel. Bancair vormde het al een schok dat in de twee maanden na de verkiezingen bij de Deutsche Bank 900 miljoen RM aan deposito's werden teruggetrokken, waarvan eenderde deel door buitenlanders. Maar politiek werd dit overschaduwd doordat de bank een houding moest vinden jegens de nazi's met hun rabiate vijandigheid tegenover het bankwezen en wat zij noemden 'interest-slavernij', en bovenal natuurlijk hun antisemitisme. Religie en 'ras' hadden in de Deutsche Bank nooit enig punt van overweging gevormd. Evenals elders in het bankwezen waren joden betrokken bij de leiding, van wie in deze jaren Oscar Wassermann de meest prominente was. Toen Hitler eind januari 1933 aan de macht kwam, waren jodenvervolging en actie tegen het bankwezen voortaan grimmige realiteit. Een alomvattende arisering trof het bedrijfsleven.

Ook met het oog op wat later in Nederland gebeurde, volgen we James in zijn uiteenzetting over de jaren dertig op de voet. Deze acht de geschiedenis van de Deutsche Bank in het Derde Rijk het verhaal van de botsing van twee strategieën, aan de ene kant de verdediging tegen het opdringen van de partij en staat en anderzijds van accommodatie en compromis. De Deutsche Bank had wel kunnen pogen zich te wijden aan puur economische activiteiten, maar zij leefde onder een totalitair regime dat economische actie als politiek beschouwde. Vele bankiers trokken zich terug op de zekerheden van de voorafgaande rationele economische wereld, door bijvoorbeeld wel de oplopende begrotingstekorten van de staat te kritiseren, maar niet de abjecte onmenselijkheid van het regime. Volgens James bestaat er geen twijfel aan dat dit het gevolg was van een extreme kortzichtigheid, met als resultaat dat ook de bankiers hun deel hadden aan de Duitse morele catastrofe.

Geen held

Interessant zijn tevens de persoonlijke duels, zoals dat van Hermann J. Abs (1901-1994), de belangrijkste naoorlogse Duitse bankier en vóór, tijdens en na de oorlog topbestuurder van de Deutsche Bank. James maakt melding van diens contacten met het Duitse verzet, maar Abs koos er uiteindelijk voor geen held te zijn. Is het de taak van de historicus hem daarvoor te veroordelen, vraagt James zich af. Gezien het voorafgaande doet hij dit wel degelijk. Nadien droeg Abs de last van zijn accommodatie. Zo mocht hij in de jaren vijftig van de Fransen en Amerikanen geen minister van buitenlandse zaken worden, maar wel de Duitse delegatie naar de Londense schuldenconferentie in 1953 leiden. Wie tijdens de oorlog hardop zijn mening gaf, werd overigens binnen de kortste keren geliquideerd, zoals de directeur van een filiaal van de Deutsche Bank, Georg Miethe, die het bestond om, na de val van Mussolini, Goebbels een aap, Göring een dikbuik en Hitler een zwendelaar te noemen. Prompt werd hij door ondergeschikten aangegeven.

Ook Nederland tijdens de Tweede Wereldorlog komt in dit boek aan de orde, in het bijzonder in relatie tot het Duitse streven naar economische en financiële annexatie. Onmiddellijk na de bezetting kreeg de Deutsche Bank ons land als invloedssfeer aangewezen. Toen de machthebbers echter wensten dat de bank de aandelen van de Rotterdamsche Bankvereniging zou overnemen, reageerde zij zeer afwerend. Volgens haar kon dit alleen op vrijwillige basis gebeuren. Daar was weinig kans op, gezien de onbuigzame houding tegenover Duitse invloed. Een jaar later, zomer 1941, was de directeur van de Haagse vestiging van de Deutsche Bank bepaald sceptisch over de Duits-Nederlandse economische integratie. Die kon pas worden verwezenlijkt indien de Nederlanders niet langer geloofden in de uiteindelijke Engelse overwinning.

Wel was de Deutsche Bank betrokken bij de aankoop van een groot pakket aandelen in de Algemeene Kunstzijde Unie, een onderdeel van het latere AKZO. Maar deze AKU was dan ook een Duits-Nederlandse multinational, waarmee Göring in het kader van het toenmalige vierjarenplan botste. De enige Nederlandse bank ten slotte die uitvoerig in het boek voorkomt, is de Handel-Maatschappij H. Albert de Bary & Co. in Amsterdam (de aanvankelijke handel was spoedig losgelaten). De Deutsche Bank bezat hierin een belang waardoor Abs sinds 1937 optrad. Hij zou de personificatie blijven van de raakvlakken van de Deutsche Bank met Nederland.