Asielrecht

PIETER BOELES: Eerlijke immigratieprocedures in Europa

397 blz., Nederlands Centrum Buitenlanders (Postbus 638, 3500 AP Utrecht), ƒ 65,-

“Het toelatings- en opvangsysteem voor asielzoekers in Nederland kan de toets der kritiek meer dan doorstaan”, zei het bureau Berenschot onlangs in zijn advies over dit onderwerp aan staatssecretaris Schmitz van justitie. Dat is een bekend geluid. Tien jaar geleden verklaarde de toenmalige bewindsvrouw Korte-van Hemel “met klem dat de Nederlandse asielprocedure ongeveer de allersterkste ter wereld is. Wij zijn een voorbeeld.”

Inmiddels is de Nederlandse asielwetgeving flink aangescherpt, maar het eindresultaat is volgens de onderzoekers van Berenschot dus nog steeds alleszins acceptabel. Ter adstructie wijst het bureau erop dat het Nederlandse systeem voorziet in gratis rechtshulp, sluitende beroeps- en bezwaarprocedures en een “sobere doch humane” centrale opvang. De internationale verdragen verplichten slechts tot het recht op niet-terugkeer als er sprake is van vrees voor bedreigende omstandigheden.

Van dit rozige beeld blijft weinig over in het proefschrift waarop de Amsterdamse advocaat Pieter Boeles, onder meer vaste medewerker vreemdelingenrecht van het Nederlands Juristenblad, afgelopen donderdag promoveerde aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Hij onderzocht de internationale standaarden voor effectieve procedurele rechtsbescherming. Daarbij keek hij in het bijzonder naar het zogeheten regionaal acquis, de optelsom van internationale normen en algemene rechtsbeginselen binnen het gezamelijk grondgebied van de Europese Unie. Dit acquis behelst wel wat meer dan het klassieke verbod van refoulement (terugsturen naar gevaarlijke gebieden) waaraan Berenschot refereert. Er bestaat ook een objectieve verplichting daadwerkelijke rechtsbescherming te bieden.

Daarbij valt te denken aan het inschakelen van een onafhankelijk en onpartijdige instantie (rechter), rechtsbijstand (en tolkenhulp) en daadwerkelijk gehoor voor de asielzoeker. Van belang voor de effectiviteit van immigratieprocedures is volgens Boeles vooral ook dat de uitzetting wordt opgeschort zolang geen eindbeslissing is gegeven, of dat dit in elk geval aan de rechter kan worden gevraagd.

De Europese optelsom brengt volgens Boeles mee dat de nationale immigratieprocedures aan deze eisen moeten voldoen. De normen zijn echter verbrokkeld en de Europese landen maken het immigranten willens en weten moeilijker voet aan de grond te krijgen. Dit geldt inclusief Nederland, dat (volgens Berenschot met succes) de wet juist heeft aangescherpt om niet “het laagste punt van Europa” te worden. Op zichzelf hebben staten het volste recht nieuwkomers te ontmoedigen, maar dat versterkt volgens Boeles juist de behoefte aan een eerlijke rechtsgang voor immigranten in spe.

De Europese landen hebben in de periode van de jaren vijftig tot heden de procedurele rechtsbescherming van individuen tegen de staat versterkt. In hoeverre is het toegestaan daarop een uitzondering te maken voor immigranten? Het is volgens Boeles hoog tijd dat het Europese Hof voor de mensenrechten in Straatsburg zich over deze vraag uitspreekt. Ook het Hof van justitie van de Europese Unie in Luxemburg heeft een taak. In de Schengen-overeenkomst over de afschaffing van de persoonscontroles aan de Europese binnengrenzen, die eerder dit jaar in werking trad, wordt dit hof echter buiten de deur gehouden. Dit is volgens Boeles typerend voor de Europese rechtsvorming over immigratie: “Met de ene hand nemen wat met de andere wordt gegeven.”