Aanpak zware misdaad is er veel erger aan toe dan gedacht

Geen enkele sector van het strafrechtelijk bedrijf komt schadevrij uit de verhoren van de enquêtecommissie. De incidenten die het beeld van de misdaadbestrijding de laatste jaren kleurden, blijken een een lange, rechte lijn te vormen van verkeerde keuzes en onhandig en ondoordacht optreden. De voorlopig laatste aflevering van een justitieel feuilleton.

Sceptici waren er genoeg aan de vooravond van de parlementaire enquête opsporingsmethoden. Degenen die twijfelden aan de noodzaak van een diepgravend onderzoek naar het functioneren van het strafrechtelijk apparaat. Want zou het verontrustende beeld dat de afgelopen twee jaar ontstond over de ontspoorde misdaadbestrijding niet vertekend of overdreven zijn - gekleurd door de journalistieke wetmatigheid zich te richten op het abnormale, op het incident?

Is het werkelijk zo beroerd gesteld met de aanpak van de zware, georganiseerde criminaliteit? Tien weken en een kleine honderd verhoren later is die vraag nog het eenvoudigste te beantwoorden. Het is veel erger dan de grootste Sombermans had durven vermoeden.

Bij dat negatieve beeld passen kanttekeningen. De enquête moest volgens de opdracht van de Tweede Kamer gaan over de toepassing van bijzondere opsporingsmethoden zoals inkijkoperaties, infiltratie en het gebruik van technische hulpmiddelen als peilbakens en afluisterapparatuur. Maar in de verhoren werd het een IRT-enquête die exclusief de justitiële drugsoorlog behandelde. De commissie nam bovendien vrijwel uitsluitend het werk van politie en justitie in de Randstad onder de loep. Het betekent dat het ging over minder dan één procent van alle 40.000 politiemensen en vierhonderd officieren van justitie die in Nederland actief zijn.

De commissie-Van Traa stuurde vanaf de eerste week aan op een relativering van de georganiseerde criminaliteit. Vier wetenschappers onder leiding van C. Fijnaut gaven een beeld van de aard en de omvang van de zware misdaad. Daarbij verbleekten de analyses waarmee de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) de laatste jaren het onheilspellende karakter van het verschijnsel probeerde te schetsen.

Het leidde er toe dat vooral Van Traa er in zijn vraagstelling geen misverstand over liet bestaan dat hij de noodzaak van vergaande opsporingsmethoden betwijfelt. Veel politiemensen en officieren van justitie kregen al snel het onbehaaglijke gevoel zich te moeten verantwoorden voor een bevooroordeeld volksgericht. In de wereld van justitie en politie werden de afgelopen weken heel wat tranquilizers geslikt. De oud-chef van de CRI, J. Wilzing, verzuchtte al in de eerste week van de openbare verhoren: “Is er nog opsporing na Van Traa?”

Politie: een vuile oorlog tussen al te grote ego's

Het was eergisteren de slotvraag van de enquête. “Zou het niet wenselijk zijn dat er een nieuwe generatie leiders bij de politie komt”, zei Van Traa tegen politie-minister Dijkstal. Die retorische vraag werd de afgelopen weken menig functionaris voorgelegd.

De zittende groep hoofdcommissarissen beleefde haar opkomst in de tijdgeest van de jaren zestig en zeventig. De 'vermaatschappelijking' van de politie was hun thema. Ze waren jonge honden die vanaf hun gezamenlijke opleiding aan de Politie Academie ten strijde trokken tegen de autoritaire houding van de zittende leiding. In de jaren tachtig kwamen ze in de top terecht: Wiarda korpschef in Utrecht, Straver in Haarlem, Nordholt in Amsterdam. In hun ijver de politie via de inrichting van wijkteams dicht bij de bevolking te brengen, toonden ze niet de minste interesse of aandacht voor het klassieke recherchewerk. Wie in hun korpsen carrière wilde maken, moest vooral geen functie bij de recherche of de Criminele Inlichtingendienst (CID) aanvaarden.

Toen aan het eind van de jaren tachtig de wind ineens omsloeg en onder druk van minister Hirsch Ballin (justitie) de zware misdaad de oorlog werd verklaard, was het aanwezige talent druk aan het werk om de politie in de wijken 'een sociaal gezicht' te geven. Bij de recherche zaten de losers. “Als los zand in de woestijn”, zoals een CID'er zei, moesten ze gestalte geven aan de Nederlandse War on Drugs. Ze zochten hun steun bij de Duitse en Amerikaanse drugsbestrijders, zoals de voorbije dagen nog eens bleek. Deze inlichtingendiensten hadden immers al een jarenlange praktijk van het exploiteren van een eigen 'pijplijn' om drugs te importeren.

De hoofdcommissarissen ontging de trend. Hun ster bleef evenwel rijzen. Ze werden graag geziene gasten in de ministerskamers in Den Haag of als tv-panellid bij Waku Waku. Eind 1993 ontvingen de vier belangrijkste korpschefs de Machiavelli-prijs voor 'overheidscommunicatie' wegens hun “doordachte en begaafde” optreden in de media. Machiavelli zou volgens de jury “trots zijn geweest op hun grensverleggende communicatieve optreden”. Zo'n beetje op het moment dat ze de prijs in ontvangst namen, lieten hun rechecheurs er nog maar eens een container doorheen glippen voor een van hun vele 'CID-matig' opgezette 'trajecten'.

Toen de treurige verhalen over infiltratie in drugsbendes naar buiten kwam, bleken de communicatieve vaardigheden van de korpschefs zich te beperken tot de buitenwereld. Binnen hun eigen korps en tussen de korpsen onderling schoot de uitwisseling van informatie ernstig tekort. Geen van allen hadden ze een voldoende vaste hand van besturen om de zaak op correcte wijze af te wikkelen. Het werd ruzie. En ze waren al jarenlang vrienden. Dus werd het een slepende vete, een vuile oorlog tussen mannen met grote ego's.

Formeel ging het erom of de politie drugs op de markt mocht brengen. Met zijn opvatting had Nordholt, zo is tijdens de enquête uitvoerig gebleken, meer gelijk dan Straver en Wiarda hem wilden geven. Maar de manier waarop hun voormalige makker zijn gelijk probeerde te halen, zette zoveel kwaad bloed dat niemand nog in staat is zich voor te stellen dat de drie in de toekomst nog harmonieus kunnen samenwerken.

De 'eenvoudige' rechercheurs die voor de commissie optraden, konden door de cultuur van geheimzinnigheid hun handelen niet goed rechtvaardigen. “Het kan ook professioneel zijn om iets niet te weten”, zei een Rotterdamse agent al in de eerste weken, en dat zette de toon.

Sommigen waren al gestraft voor hun ijver nog voordat ze voor de commissie moesten verschijnen. De Hilversumse CID-chef Van der Putten was, toen hij bij Van Traa de strijd aanbond met de officier van justitie Valente, al uit zijn functie gezet. Dat kwam omdat deze hoofdinspecteur van politie zo wantrouwig was geworden ten aanzien van het bevoegd gezag dat hij het opnemen van gesprekken met officieren van justitie ook 'professioneel' vond. Zijn openbare gevecht met Valente eindigde in een gelijkspel - waarbij opviel dat er onder Valente meer mogelijkheden met bijzondere (infiltratie-)methoden waren dan de magistraat aanvankelijk verklaarde.

Dat het lot van een 'kleine man' als Van der Putten (baan kwijt, publiekelijk neergesabeld door het openbaar ministerie) nogal willekeurig is, blijkt uit de lotgevallen van het Haarlemse 'koningskoppel' Langendoen en Van Vondel. Zij illustreerden hoe gemakkelijk agenten ontsporen als ze moeten werken met informanten uit de drugsmafia. Ze raakten vervlochten in een web waarin de belangen van criminelen en de politie niet meer te onderscheiden waren.

De beerput over ontoelaatbare contacten met criminelen, nepotisme en de pogingen van Van Vondel zwijggeld te bieden aan mogelijke bronnen van Van Traa ('de sapman') werd gaandeweg de enquête tot op de bodem leeggeschept. De kernvraag van Van Traa - runt de politie criminele informanten of andersom - is in hun geval eenduidig in het nadeel van de politie beantwoord.

Ook al werpt de naar buiten gekomen informatie een vernietigend licht op de professionaliteit die Langendoen en Van Vondel (inmiddels privé-detective) aan de dag hebben gelegd, hun positie is kennelijk onaantastbaar. Langendoen is vorig jaar gepromoveerd tot tweede man van een speciaal IRT-politieteam in Haarlem. Zijn korpschef Straver weigert hem te laten vallen, ondanks de druk die ook in zijn korps wordt opgevoerd. In zijn omgeving wordt vastgesteld dat de Haarlemse politiechef niet langer in staat is een rationele keuze te maken omdat hij zich emotioneel heeft verbonden aan zijn “gecriminaliseerde” mensen.

Daarmee heeft Straver - en de achterover leunende Haarlemse hoofofficier van justitie L. de Beaufort - zijn positie afhankelijk gemaakt van het oordeel dat de rijksrecherche zal vellen over de nukken van de mysterieuze Langendoen. Er staat een hakblok klaar in Haarlem, zo heeft OM-topman Docters van Leeuwen in het voorjaar gezegd. De guillotine suist al naar beneden.

OM: mijlenver van de opsporingspraktijk

De rol van het openbaar ministerie in de strijd tegen de zware misdaad wekte tijdens de verhoren het minst vrolijke beeld op. Aan de toezichthoudende taak van de leden van de staande magistratuur op het werk van de politie blijkt in de praktijk zeer veel te schorten. Met name de top van het openbaar ministerie wekte de indruk een gezelschap te zijn dat eindeloos vergadert, enthousiast richtlijnen opstelt en commissies installeert, maar geen idee heeft wat zich in de dagelijkse praktijk van de opsporing afspeelt.

In totaal zijn er drie functionarissen gehoord die als lid van het college van procureurs-generaal (PG's) de afgelopen jaren het openbaar ministerie runden. En of het nu lag aan een zekere vorm van regenteske arrogantie (R. Gonsalves uit Den Bosch), hulpeloze naïviteit (Amsterdammer R. van Randwijck) of opportunisme (Sorgdrager als PG in Den Haag), geen van allen kon zich herinneren bemoeienis te hebben gehad met omstreden infiltratiemethoden.

Van de 'ignoranten' verzorgde vooral Sorgdrager een merkwaardige voorstelling. Nadat in december 1993 het Amsterdamse IRT was ontbonden wegens het doorleveren van drugs, realiseerde de kersverse Haagse PG zich begin 1994 dat het hier een gevoelige kwestie betrof. Dat bleek een voortreffelijk instinct, want in het arrondissement Rotterdam was justitie begonnen aan een operatie waarbij 20.000 kilo soft drugs op de markt zou verdwijnen. En in Den Haag had justitie zojuist ingestemd met doorlevering van enige honderden kilo's cocaïne.

Toch verklaarde Sorgdrager deze week dat haar alertheid er niet toe heeft geleid dat ze ook maar iets wist van het doorleveren van drugs onder haar ressortelijke verantwoordelijheid. Ze had een gesprek met de verantwoordelijke Rotterdamse officier van justitie, die er het zwijgen toe deed. De Haagse hoofdofficier van justitie kwam op de koffie en vertelde naar eigen zeggen wel over het doorleveren van cocaïne. Er lag in de kluis van het parket van de PG zelfs een rapport over het verdwijnen van cocaïne. Het maakte allemaal niets uit voor de 'informatie-positie' van Sorgdrager. Ze wist van niets.

Desondanks voelde ze zich maart 1994 geroepen haar baas minister Hirsch Ballin een handgeschreven briefje te faxen: hij moest er voor zorgen dat de methode van het doorleveren van drugs niet zou worden verboden, anders zou de strijd tegen de zware misdaad geen kans van slagen hebben.

Het openbaar ministerie is op initiatief van Sorgdrager momenteel voorwerp van een door vriend en vijand toegejuichte reorganisatie. Eigenschappen waaraan een goede magistraat moet voldoen, zoals beschreven in het 'Plan van aanpak' over de reorganisatie van het openbaar ministerie dat Sorgdrager in mei 1995 presenteerde, zijn de volgende: “De kerncompetenties” van de hedendaagse magistraat moeten zijn zich te kunnen “onderscheiden in analyse, oordeelsvorming en overtuigingskracht”.

Een meevaller tijdens de verhoren was dat degenen die binnen het OM vaak denigrerend worden aangeduid als de 'zaaksboeren' zich op dat vlak wisten te onderscheiden. De magistraten die nog niet met de wethouder vergaderen over het terugdringen van schoolverzuim maar gewoon belast zijn met de afhandeling van strafzaken, maakten achter het eikehouten tafeltje van de Eerste Kamer een betrokken, kordate en alerte indruk.

Officieren als I. Gonzales (Haarlem), C. Van der Voort (Den Haag), J. Pieters (Den Bosch) en J. Wortel (Amsterdam) worden door 'hun' politiemensen ook op handen gedragen. Het lijkt bij deze magistraten niet te schorten aan kennis over de opsporingsmiddelen die de politie hanteert. Kennelijk is het toch mogelijk voor officieren van justitie om de traditionele kloof tussen magistraat en smeris te overbruggen. Zonder dat dit ten koste gaat van de onafhankelijke positie die de officier van justitie in acht moet nemen als toezichthouder “op de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde”.

Om het OM de komende jaren om te smeden tot een efficiënt en eenvorming opsporingsapparaat heeft Sorgdrager dit jaar het voormalige BVD-hoofd Docters van Leeuwen benoemd. Zijn komst heeft binnen het veel geplaagde OM in het algemeen tot enthousiasme geleid. “Eindelijk is er een vent die voor ons opkomt: een krachtige leider”, zegt een Rotterdamse officier van justitie. Maar bij justitie zijn er ook officieren die vrezen dat de straffe hand van een centrale chef te zeer afbreuk doet aan de vrijheid die een rechterlijk ambtenaar traditioneel ook behoort toe te komen. “Er dreigt het gevaar dat we gaan werken met de efficiëntie van de zombie”, zegt een hoofdofficier.

Die opvatting geeft het risico van Docters' missie aan. Hij heeft gekozen voor een centrale aansturing en maakt expliciete keuzes. Deze week deelde hij het OM op in drie categorieën: 'rekkelijken', 'preciezen' en 'autonomen'. Van die laatste groep gruwt hij. Deze magistraten, voorstanders van een 'gesloten CID-traject' waarbij opsporingsmethoden niet aan de rechter worden voorgelegd, voelen zich geïsoleerd door Docters. Dat zal de toch al paranoïde cultuur die de laatste jaren in het OM was binnengeslopen alleen maar stimuleren. Het aanhoudend 'lekken' van vertrouwelijke informatie vormt daar een illustratie van.

Politiek: commissie zeer mild voor collega's

De enquêtecommissie was een produkt van de politieke beroepsgroep die de laatste jaren niet de sterkste indruk maakte bij het toezicht op de misdaadbestrijding. Maar de controle die de enquêtecommissie deze week op het werk van de parlementaire collega's uitoefende, was van een opmerkelijke mildheid. CID-chefs en -officieren van justitie werd geregeld het vuur na aan de schenen gelegd als ze zich beriepen op de geheimen van opsporingsacties. Maar toen het ex-Tweede Kamerlid Stoffelen (PvdA) uitlegde dat hij vorig jaar al van de hoed en de rand wist wat betreft de methode van het IRT Noord-Holland/ Utrecht, maar er in het parlement niet over uitweidde omdat er anders een kabinetscrisis in het verschiet lag, was zijn partijgenoot Van Traa vol begrip: “Dus u zat in een onmogelijke situatie: u wist te veel?”

Van Traa legde ook in de verhoren van niet-politici regelmatig een bijzondere “variatie in geduld” aan de dag, vertelde een lid van de enquêtecommissie deze week in de marge van de verhoren. Waar sommige officieren van justitie en politiemensen vrijuit mochten speculeren over de gruwelen die zich in andere parketten en korpsen voordoen, kregen andere officieren en politiemensen nauwelijks een kans hun eigen gedrag en opvattingen te beargumenteren.

Dat de commissie voor belangrijke Kamerfracties een ongewenst kind was, bleek uit de kwaliteit van de leden. Van Traa kende in ieder geval alle dossiers. Diverse van zijn collega's - allemaal nieuwkomers als Kamerlid - gaven regelmatig aan dat ze de materie niet in de vingers hadden. Het werd pijnlijk geïllustreerd toen de leden Koekoek (CDA) en Rabbae (Groen Links) in de media applaudiseerden bij het vertrek van procureur-generaal Van Randwijck en zelfs anderen opriepen tot navolging.

Van Traa deed het liefste alles zelf en gaf er diverse keren blijk van dat hij zijn ongeduld bij vragen van bijvoorbeeld het lid Vos (VVD) niet kon bewaren. Ook Koekoek genereerde regelmatig irritatie bij de voorzitter. De parlementariër die de meest ter zake doende vragen stelde, was het jongste commissielid: de RPF'er Rouvoet (32). Hij mocht evenwel gelet op de pikorde vanachter zijn glas chocomel per verhoor gemiddeld niet meer dan twee vragen stellen.

Voorzitter d'Hondt van de korpsbeheerdersraad (de burgemeesters) nam Van Traa in zijn wekelijkse column in Binnenlands Bestuur bij voortduring op de hak. De enquêtevoorzitter “plaatst zich in de orthodoxie, die wel het geloof kietelt, maar de georganiseerde misdaad laat lopen”, aldus d'Hondt. De burgemeester verwijt Van Traa met een humorloze verbetenheid jacht te maken op degenen die in hun ijver de misdaad te bestrijden grenzen hebben overschreden. “Van Traa maakt niet de indruk dat de spiegel hem 's ochtends met enige regelmaat ondervraagt of hij nog van het leven geniet en het leven ook van hem.” Commissieleden lieten de afgelopen dagen weten dat ze het niet betreuren dat ze voorlopig even niet dagelijks in het openbaar met hun voorzitter hoeven op te treden.

Ministerie: padvinders in Haagse slangenkuil

Uit de verhoren bleek dat het departement van justitie het debâcle van de ontspoorde opsporing slechts heeft gestimuleerd. Er zijn nauwelijks momenten in de recente geschiedenis aan te wijzen waarop de ambtelijke top van het ministerie een gunstige invloed op de gebeurtenissen had. Van de ontploffing van het IRT eind 1993 tot de gouden handdruk van Van Randwijck deze maand loopt een lange, rechte lijn van verkeerde keuzes en onhandig en ondoordacht optreden. Niet voor niets sprak Dijkstal in zijn tijd als Kamerlid over een “padvindersmentaliteit” op het ministerie.

Centrale figuur daarin is de secretaris-generaal van het ministerie, J. Suyver. Hij was degene die vanaf 1989 voorstellen van de afdeling wetgeving tegenhield om tot een wettelijke normering van de opsporingsmethoden te komen. Hij was degene die het werk van de 'begeleidingsgroep' van het politiek gevoelige CoPa-team, met in het vizier een vervolging van de Surinaamse ex-legerleider D. Bouterse, in stilte liet sterven. Ook hij was niet op de hoogte geweest van het feit dat de politie de methode van het doorleveren van drugs was gaan hanteren.

Suyver is een aandoenlijk aardige man, zo laten mensen die hem goed kennen weten. “En het valt niet mee om je in de departementale slangenkuil overeind te houden”, zegt een hoofdofficier van justitie. De zwakte van de departementale top doet de vraag rijzen welke minister van justitie wel in staat is om met deze ambtelijke ondersteuning krachtige maatregelen te treffen.

Dat laatste zal moeten gebeuren als in januari de commissie Van Traa met voorstellen komt voor het gebruik van bijzondere opsporingsmiddelen en het toezicht daarop. Maar als de hobbel van het maken van de broodnodige wetgeving is genomen, is de ellende nog niet opgelost. Deze enquête heeft geleerd dat het probleem van de gebrekkige misdaadbestrijding zeker zo veel te maken heeft met een gebrek aan talent, moed en geheugen bij de verantwoordelijke functionarissen. De vraag is hoeveel gouden handdrukken het ministerie nog kan opbrengen.

---------------------

Na ruim twee maanden van openbare verhoren trekt de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden zich terug voor het schrijven van het eindrapport. De commissie, die op 7 december vorig jaar werd geïnstalleerd, wilde het rapport oorspronkelijk binnen een jaar aan de Tweede Kamer te presenteren.

Die einddatum van 7 december wordt niet gehaald, zo staat nu al vast. De commissie heeft meer tijd nodig gehad om zich openbare verhoren voor te bereiden. Voorzitter Van Traa zal daarom de Kamer vragen uitstel te verlenen. Hij hoopt dat het rapport rond het Kerstreces van het parlement klaar kan zijn.

Hoewel de geplande openbare verhoren donderdagmiddag werden afgesloten met het verhoor van vice-premier Dijkstal, is het niet uitgesloten dat er nog meer verhoren zullen volgen, al dan niet achter gesloten deuren. Eén van de zaken die nog moet worden opgehelderd draait om de tegengestelde verklaringen die minister Sorgdrager (justitie) en de Haagse hoofdofficier van justitie Blok hebben afgelegd over de doorvoer van cocaïne door de Haagse politie in de tijd dat Sorgdrager procureur-generaal was.

Nadat het eindrapport van de commissie-Van Traa aan de Kamer is aangeboden gaat de Kamer in debat met de enquêtecommissie. Daarna volgt er nog een debat tussen de Tweede Kamer en het kabinet.