Wereldwijd gevecht tussen tabakslobby en overheden

Hand in hand met de tabaksindustrie trekken conservatieve Amerikaanse Republikeinen ten strijde tegen de grootste anti-rookcampagne aller tijden, afgelopen zomer afgekondigd door president Clinton.

Om het roken onder de jeugd terug te dringen heeft de Amerikaanse president zijn Food and Drug Administration opdracht gegeven nicotine tot verslavend middel uit te roepen en aan dezelfde restricties te onderwerpen als andere verslavende middelen. Alle tabaksreclame gericht op jongeren moet worden verboden, sigarettenautomaten dienen te verdwijnen en iedereen die sigaretten wil kopen, moet bewijzen boven de achttien te zijn.

Tabaksondernemingen en reclamebureaus hebben een proces tegen de staat aangespannen in een poging Clintons maatregelen onwettig te laten verklaren. Zij beroepen zich op de vrijheid van meningsuiting, zoals vastgelegd in het First Amendment van de Amerikaanse grondwet. Steun krijgt de tabakslobby van Newt Gingrich, voorzitter van het Huis van afgevaardigden. 'Gezondheidsnazi's' noemt de woordvoerder van de conservatieve politicus de medestanders van Clinton.

Los van de juridsche toelaatbaarheid staat de vraag of de regeringspropaganda tegen het roken zin heeft. De doelstelling van Clintons campagne is de komende zeven jaar het roken door jongeren tot de helft terug te brengen. Alle voorgaande maatregelen om het gebruik van nicotine terug te dringen hebben niet voorkomen dat het aantal rokende adolescenten in de VS blijft groeien. Volgens Clinton is de tabaksindustrie de boosdoener. “Teenagers gaan niet vanzelf roken”, zei hij bij de lancering van zijn campagne. “Zij zijn slachtoffers van de miljarden verslindende reclame.”

Voor de tabakslobby in de Verenigde Staten en elders staan grote belangen op het spel. De fabrikanten weten zich sinds kort gesteund door de ontwikkelingen in Canada. Bijna vijftien jaar geleden begon de Canadese overheid een intensieve antirookcampagne: prijsverhoging van tabakswaren, waarschuwingen tegen kanker, verwijdering van automaten, maatregelen tegen roken in openbare ruimtes en, sinds 1989, een verbod op tabaksreclame. In september van dit jaar heeft het Canadese Hooggerechtshof het reclameverbod echter ongedaan gemaakt wegens strijdigheid met de vrijheid van meningsuiting. Bovendien bleken de beperkende maatregelen in Canada nauwelijks te lonen, of zelfs een averechts effect te hebben. Sinds het verdwijnen van de stoere Camel- en Marlboro-mannen is het aantal rokers onder vijftien- tot negentienjarigen gestegen van 16 tot 19 procent.

Gezondheidsorganisaties en overheidsinstellingen gaan er vanuit dat sigarettenreclames mensen er toe aanzetten met roken te beginnen. De tabakslobby spreekt dit tegen: reclame is slechts bedoeld om consumenten die toch al verslaafd zijn voor een bepaald sigarettenmerk te winnen. Als bewijs voor de stelling dat reclame niet aanzet tot roken wordt de ervaring in Oost-Europa aangevoerd. Hoewel daar ten tijde van het communisme geen reclame was toegestaan, werd er meer gerookt dan waar ook ter wereld. Een ander voorbeeld betreft een vergelijking tussen Noorwegen, waar sinds 1975 een volledig verbod op tabaksreclame bestaat, en Hongkong, een van de weinige landen waar geen enkele beperking geldt. In Noorwegen rookt 36 procent van de vijftienjarigen, in Hongkong slechts elf procent.

Behalve de tabaksindustrie zijn het vooral ook reclameondernemingen en voor hun advertentie-inkomsten vrezende uitgevers die op de zinloosheid van een reclameverbod wijzen. Wereldwijd zijn zij niettemin aan de verliezende hand. Ook in Azië en Latijns Amerika ontmoedigen overheden het roken, omdat de gezondheidszorg voor de slachtoffers niet meer is op te brengen. Australië, Thailand, Zuid-Korea en Singapore proberen het roken aan banden te leggen met een hoge tabaksaccijns, een rookverbod in openbare ruimtes en een advertentieverbod in een groot deel van de media. In China, waar de accijns betaald door 300 miljoen rokers de staat meer geld oplevert dan welke industrie dan ook, overtreffen de kosten aan gezondheidszorg voor nicotineslachtoffers de tabaksinkomsten. Daarom nam China in 1992 een tabakswet aan die een verlaging van het teergehalte inhoudt, een beperking van het roken in openbare gebouwen, en een advertentieverbod voor radio, televisie, kranten en tijdschriften.

Ook in Latijns Amerika wint het advertentieverbod veld. Zelfs in landen waarin roken van oudsher tot de nationale cultuur behoort, zal het opsteken van een sigaret in de toekomst niet meer onbelemmerd worden aangeprezen. Chili, Costa Rica, Ecuador en Nicaragua hebben wetten in voorbereiding om de reclame verregaand aan banden te leggen.

In Westeuropese landen is de tabaksreclame aan beperkingen onderhevig. Nederland kent geen algeheel reclameverbod voor tabak en vormt daarmee samen met Duitsland, Groot-Brittannië, Denemarken, Spanje en Griekenland een minderheid in de Europese Unie. In Italië, Frankrijk en België heerst wel een verbod. De al in april 1991 door de Europese Commissie gepresenteerde ontwerp-richtlijn om reclame voor tabaksprodukten volledig uit te bannen, is onder andere door toedoen van Nederland nog altijd niet aanvaard.