Tommel zet zichzelf mat in Kamerdebat

DEN HAAG, 10 NOV. Vertrouwen. Daar gaat het meestal om in de politiek, niet in de laatste plaats als het bewindslieden van D66 betreft. Staatssecretaris D. Tommel van volkshuisvesting constateert dat hij nog voldoende vertrouwen geniet van de Tweede Kamer, ook bij de coalitiepartners PvdA en VVD die hebben aangezet tot het parlementair onderzoek waaraan het beleid van de D66-bewindsman wordt onderworpen.

“De genade van optimaal vertrouwen hoef ik niet van iedereen te hebben”, merkte hij gisteren op nadat hij met twee Kamercommissies had gesproken over de vraag of er een parlementair onderzoek naar de financiële problemen van de Limburgse woningbouwcorporatie WBL moet komen. “Ik kan ermee leven”, zei Tommel over de verklaring van Kamerleden van VVD en PvdA dat ze “geen maximaal vertrouwen” in de staatssecretaris hebben. “Dat betekent dus: wel vertrouwen”, zei VVD'er P. Hofstra met nadruk. “Een heldere opvatting”, vond Tommel dat. “Wat Hofstra heeft gezegd, vind ik heel belangrijk.”

Maar hoe zit het dan met de PvdA'er A. Duivesteijn, Tommels meest strijdlustige tegenvoeter. In het overleg tussen de staatssecretaris en de twee Kamercommissies gistermiddag kreeg hij het woord vertrouwen niet over de lippen. Maar desgevraagd wilde Duivesteijn na afloop wel verklaren: “Zolang ik niet zeg dat ik geen vertrouwen in de staatssecretaris heb, heb ik dat vertrouwen per saldo wel.”

Het zou bepaald overdreven zijn te zeggen dat er sprake is van een warme band tussen deze voormalige Haagse wethouder en de bewindsman van volkshuisvesting. Tommel, scheikundige van huis uit, onderkent het risico van de afstandelijke relatie. “Het is een karakterkwestie. Met zo'n chemie van karakters kan het gevaarlijk zijn.” Maar op de vraag of het nog goed komt tussen hem en Duivesteijn, antwoordt Tommel: “Het is niet slecht tussen ons. Elk vogeltje zingt zoals het gebekt is.”

Niettemin neemt Tommel het zijn coalitiepartners van PvdA en VVD kwalijk dat zij het op een parlementair onderzoek hebben laten aankomen en is hij vooral bitter over de wijze waarop zij tot deze aanbeveling zijn gekomen. Zijn ambtenaren en hijzelf hebben nauwelijks de kans gehad de Kamerleden hun kant van de zaak uit te leggen, vindt Tommel. Hoor en wederhoor zijn niet of onvoldoende toegepast, meent de staatssecretaris en dat hoort zo niet in het normale verkeer tussen kabinet en parlement. Informatie van het departement is volgens Tommel door het duo Duivesteijn/Hofstra in twijfel getrokken, “en dan heb ik reden om gepikeerd te zijn”.

Des te verrassender waren de woorden die Tommel in de Kamer uitsprak. “Ik beveel u aan om een parlementair onderzoek te doen”, zei hij, nu volgens hem de integriteit van zijn ambtenaren in het geding was. “Ik ben voor het onderzoek om het gedoe te stoppen”, zei hij later. Het leek op een vlucht naar voren, nadat de bewindsman eerder de indruk had gewekt zo'n onderzoek eigenlijk onzinnig te vinden, ook al zei hij dat niet. Die afwerende houding heeft de Kamerleden allerminst gezind. De Kamer bepaalt zelf haar werkwijze, dus waar bemoeit zo'n staatssecretaris zich mee, luidden hun bezwaar.

Opmerkelijk was Tommels manoeuvre ook omdat hij eerder de fractieleiders P. Rosenmöller (GroenLinks), J. Marijnissen (Socialistische Partij) en J. Nijpels (Senioren 2000) persoonlijk had benaderd om zijn opvattingen uit de doeken te doen. Uitgerekend de kleine fracties dus, die hadden laten blijken dat zij VVD en PvdA aan een meerderheid in de Kamer zouden helpen voor een parlementair onderzoek, nadat CDA en D66 zich daarvan tegenstander hadden betoond. “Maar ik heb tegen ze gezegd”, zegt Tommel desgevraagd, “dat ik me niet bemoei met de vraag of er een parlementair onderzoek moet komen.”

Een probleem is dat hij met zijn daden steeds de indruk van het tegendeel wist te wekken. Zoals ook met zijn uitdrukkelijke wens eerst nog met de Kamercommissies te praten alvorens zij over het onderzoek zouden besluiten. “Volgens mij heeft dat averechts gewerkt”, zegt de CDA'er P. Biesheuvel. Anders gezegd: de politicus Tommel heeft niet getoond dat hij veel zetten kan vooruitdenken en dat terwijl hij oud-voorzitter van de Koninklijk Nederlandse Schaakbond is.

Zo verloopt het staatssecretariaat van volkshuisvesting voor Tommel anders dan hij in 1994 moet hebben gedacht, toen hij na veertien jaar lidmaatschap van de Tweede Kamer ervoor koos de stoel te bezetten van de tegenwoordige fractieleider van het CDA, Heerma. De sector was door Heerma grondig op de schop genomen en de Tweede Kamer stond daar in het algemeen applaudisserend bij. Corporaties en gemeenten werden veel meer verantwoordelijk voor het beleid; het rijk trok zich terug en in de Tweede Kamer werd het debat vooral vanuit de achterbanken en dus bijna geruisloos gevoerd.

Bij de kabinetsformatie werd de portefeuille van Tommel ruimer gevuld dan bij zijn voorganger was gebeurd: hij werd ook coördinator voor het bouwbeleid en kreeg een deel van het milieubeleid onder zijn hoede. Blijmoedig als hij zich meestal toont leek Tommel zich te kunnen ontpoppen als de belangrijkste propagandist van duurzaam bouwen.

Hij verkeek zich echter vooral op de PvdA'er Duivesteijn, die een uitgesproken criticus is van de wijze waarop de volkshuisvesting, de sociale sector in het bijzonder, tegenwoordig in Nederland is georganiseerd en de politieke rust daarover is gaan verstoren. Het parlementaire onderzoek naar de WBL-affaire is in wezen ook een onderzoek naar de ordening van de volkshuisvesting en de vraag wie tegenwoordig waarvoor verantwoordelijk is.