Tanende macht politici is niet bewezen

De Staten-Generaal boeten aan macht in. Dat is een van de belangrijkste conclusies die worden getrokken in de serie artikelen die in deze krant verscheen, gebaseerd op een door Leidse bestuurskundigen gehouden enquête onder Nederlandse topambtenaren(30 september en 6, 13, 20 en 27 oktober).

De toenemende invloed op de besluitvorming van lobbyisten, massamedia, Brusselse bureaucraten, single issue-bewegingenen, vooral, van coalities van gespecialiseerde beleidsambtenaren en experts zou de traditionele 'Haagse machten', en dan met name de Tweede Kamer, buitenspel hebben gezet.

Als het waar is dat de gekozen vertegenwoordigers op het Binnenhof hun greep dreigen te verliezen op de discussie en de besluitvorming over belangrijke maatschappelijke problemen in onze samenleving, dan is dat een hoogst ernstige zaak. Maar kan een dergelijke bewering wel staande worden gehouden?

Een greep uit het nieuws van afgelopen week levert twee voorbeelden op die eerder op het tegendeel wijzen: procureur-generaal Van Randwijck verdwijnt als een direct gevolg van zijn verschijning bij de parlementaire enquêtecommissie, iets wat ondanks zijn overduidelijk falen niet 'gelukt' in de hele afhandeling van de IRT-affaire; en de brief van minister Voorhoeve (defensie) aan de Tweede Kamer bewijst dat het, in het zicht van het afleggen van verantwoording aan het parlement, wel degelijk mogelijk is de waarheid over de rol van Dutchbat bij de val van Srebrenica naar boven te krijgen. Is er eigenlijk enig bewijs voor de veronderstelde machteloosheid van de politiek?

De enquêteresultaten uit de artikelenreeks ondersteunen de verontrustende conclusies van de auteurs in ieder geval niet. Hoewel 36 procent van de respondenten aangeeft dat de invloed van het parlement op de politieke besluitvorming is afgenomen, blijkt 43 procent het daarmee oneens te zijn (30 september). Dat wil zeggen dat bijna de helft van de respondenten de invloed van het parlement nìet heeft zien afnemen.

Bovendien: wat is de waarde en de betekenis van de resultaten? Wat kunnen we afleiden uit de mening van 248 (van de 404) topambtenaren? Een enquête naar hun inzichten en denkbeelden over politieke besluitvorming en veranderende machtspatronen is bijzonder interessant voor iedereen die te maken heeft met politiek en bestuur, maar het lijkt op zijn minst onvoorzichtig om hieruit conclusies te trekken over de feitelijke machtsverhoudingen in het Nederlands openbaar bestuur.

Een dergelijk onderzoek onder de Nederlandse parlementariërs of onder vertegenwoordigers van belangengroepen in Nederland zou ongetwijfeld een volledig ander beeld van de werkelijkheid opleveren. Nog in 1992 constateerde 84 procent van de Nederlandse bevolking dat de Tweede Kamer juist veel invloed op belangrijke beslissingen in ons land had (bron: Culturele veranderingen in Nederland 1975-1992).

Behalve de enquêteresultaten geven ook andere onderzoeken naar politiek-bestuurlijke besluitvorming in Nederland voorlopig geen reden tot wanhopen over de macht van onze volksvertegenwoordigers. Zo is het een bekend gegeven dat politici tijdens elke formatieperiode de kans krijgen een zware stempel te drukken op het beleid voor de jaren daarna.

Verder blijkt eigenlijk nergens uit dat lobbyisten hun invloed op de Haagse besluitvorming groter hebben zien worden (20 oktober), ook niet uit het enquêtemateriaal. Systematisch onderzoek naar de effectiviteit van lobby-activiteiten is nu eenmaal schaars. Dat er steeds meer wordt gelobbyd in het Haagse (Van Schendelen, 20 oktober) wil ik niet in twijfel trekken, maar heeft weinig met succes of effectiviteit te maken.

Integendeel, de toenemende druk op ambtenaren van steeds meer verschillende kanten leidt vaak tot een zekere 'lobby-moeheid' en de neiging zich geheel af te sluiten voor al dergelijke signalen. Het genoemde voorbeeld van de wegvervoerders, die door in 1993 alle Tweede-Kamerleden inclusief Jorritsma per truck te vervoeren nu 'gebakken zitten' bij de nieuwe minister van verkeer en waterstaat, zegt niets over de effectiviteit van het lobbyen, hoogstens iets over de factor toeval die ook in het politieke spel een rol speelt.

Het onderzoek levert boeiend materiaal op over de Nederlandse topambtenaren en hun denkbeelden over macht en invloed in Nederland. De auteurs maken dankbaar gebruik van de resultaten en schetsen met ruwe streken een schril beeld van de politieke besluitvorming in ons land. Om iets te weten te komen over de feitelijke invloedsverhoudingen in politiek en bestuur is echter meer nodig dan een dergelijke enquête.