Stem VS bij benoemingen Navo steeds belangrijker

De benoeming van de eerste Nederlandse secretaris-generaal bij de NAVO, D. Stikker, in april 1961, was snel rond. Dat moest ook wel want de zittende NAVO-chef, de Belg H. Spaak, had in januari van hetzelfde jaar vrij plotseling ontslag genomen. Stikker, ex-minister en destijds ambassadeur bij de NAVO had zijn benoeming vooral te danken aan de steun van de Amerikaanse regering.

Frankrijk steunde Stikkers tegenkandidaat, de Italiaan Brosio. De toenmalige Franse president, De Gaulle, vreesde dat een Nederlandse NAVO-baas teveel een Amerikaans-Brits stempel zou drukken op de hervorming van de verdragsorganisatie. Met name het plan om de NAVO een eigen atoombeslissingsbevoegdheid te geven, was voor Frankrijk een gevoelig punt.

De persoonlijke vriendschap van Stikker met de opperbevelhebber van de NAVO, de Amerikaanse generaal Norstad, die sterke druk uitoefende op de regering-Kennedy om Stikker te benoemen, is mogelijk van doorslaggevende betekenis geweest. In maart staakte Frankrijk het verzet onder druk van de andere lidstaten, die zich unaniem achter Stikkers kandidatuur hadden geschaard. In april 1961 werd Stikker eenstemmig gekozen.

Aan de benoeming van de Nederlander Joseph Luns, die Brosio (secretaris-generaal van 1964 tot 1971) opvolgde, ging ogenschijnlijk weinig diplomatiek gemanoeuvreer vooraf. Luns maakte al in september 1970 bekend dat hij belangstelling had voor de functie, toen nog niet eens bekend was wanneer Brosio zou aftreden. De 72-jarige Brosio had wel al te kennen gegeven dat hij de functie niet voor onbepaalde tijd wilde blijven uitoefenen.

Een jaar later, in juni 1971 werd Luns benoemd, zonder veel geharrewar en zonder dat er een openlijke tegenkandidaat was. Luns zei in een vraaggesprek met de Volkskrant vlak na zijn benoeming, dat de toenmalige Britse onderminister van defensie, Denis Healey, wel belangstelling had gehad, maar dat deze zich onmiddelijk toen hij hoorde dat Luns kandidaat was, had teruggetrokken.

Luns kondigde in het voorjaar van 1984 na bijna dertien jaar aan dat hij zou aftreden, maar hij wilde de ministers van buitenlandse zaken rustig de tijd geven om een opvolger te zoeken. De Duitse ex-bondskanselier Helmudt Schmidt werd gepolst, maar die bedankte. Al snel kwam de Britse aristocraat en ex-minister van buitenlandse zaken, Lord Carrington, als enige sterke kandidaat naar voren. De toenmalige minister van buitenlandse zaken van België, Leo Tindemans, toonde ook belangstelling, maar was van begin af aan kansloos. Tegen Carrington bestonden aanvankelijk wel bezwaren in Spanje, vanwege het Brits-Spaanse geschil over Gibraltar, maar in december 1984 werd consensus bereikt over zijn benoeming.

Nadat Carrington had gezegd dat hij nog maar een jaar zou aanblijven als NAVO-chef, deed zich in augustus 1987 de nieuwe situatie voor dat Duitsland een kandidaat stelde: de toenmalige minister van defensie, Manfred Wörner. De grote landen verwelkomden dat Duitse initiatief. De eerder door de Noorse regering kandidaat gestelde ex-premier Kaare Willoch genoot slechts de steun van Denemarken, Noorwegen, IJsland en Griekenland, terwijl, de VS, Frankrijk, Groot-Brittannië en Italië, de voorkeur gaven aan Wörner. Wörner werd ook door Nederland gesteund.

Noorwegen overwoog in november nog zijn kandidaat terug te trekken en een derde kandidaat, de Canadese toenmalige minister van buitenlandse zaken, Joe Clark, naar voren te schuiven omdat die mogelijk op de steun zou kunnen rekenen van Frankrijk, Groot-Brittannië en de VS. Maar in december 1987 legde Noorwegen zich bij de Duitse kandidatuur neer. De toenmalige Nederlandse minister van defensie, W. van Eekelen, verklaarde dat de tijd dat men vond dat een Duitser geen secretaris-generaal van de NAVO kon worden “gelukkig voorbij” was.

Het lange ziekbed van Wörner, die acht jaar lang aan het hoofd van de NAVO stond, gaf de ministers van buitenlandse zaken de tijd om na te denken over een opvolger. Maar de geopolitieke situatie in Europa was sinds de val van de Muur wel ingrijpend veranderd en de eisen die aan een kandidaat werden gesteld ook. Was vroeger afschrikking van de Sovjet-Unie de prioriteit, sinds de val van de Muur was de belangrijkste opgave voor de NAVO het instandhouden van de band tussen de VS en Europa geworden. De stem van de VS in de benoeming van de NAVO-chef, traditioneel een Europese benoeming, was daardoor zwaarder gaan tellen.

Nederland zag er vanaf om oud-minister van buitenlandse zaken en Eurocommissaris Hans van den Broek kandidaat te stellen, hoewel hij met zijn goede Atlantische contacten een voor de hand liggende kandidaat was. Maar de nederlaag van oud-premier Lubbers met zijn kandidatuur voor de opvolging van Jacques Delors bij de Europese Commissie lag de Nederlandse regering nog te vers in het geheugen.

In september 1994 werd unaniem besloten om de toenmalige Belgische minister van buitenlandse zaken, Willy Claes, tot secretaris-generaal te benoemen. Dat had Claes vooral te danken aan zijn goede relatie met de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, Warren Christopher.