Sorgdrager roept meer vragen op dan ze beantwoordt

DEN HAAG, 10 NOV. Waarom faxte de Haagse procureur-generaal Sorgdrager op 30 maart 1994 een handgeschreven brief naar het huisadres van de bedlegerige minister Hirsch Ballin (justitie) in Tilburg? Wie spreekt de waarheid als het gaat over het melden van het op de markt brengen van hard drugs door het Haagse parket?

Het lang verwachte verhoor gistermiddag door de commissie-Van Traa van Sorgdrager, inmiddels minister van justitie, leverde meer vragen op dan antwoorden. De minister, op het puntje van haar stoel, sprak geagiteerd. Kennelijk vol strijdlust. Op de tribune keek haar voorganger Hirsch Ballin, die eerder aan de beurt was geweest, toe.

Sorgdrager had uiteengezet dat het destijds binnen de vergadering van PG's niet gebruikelijk was zich te bemoeien met elkaars portefeuilles. De Bossche procureur-generaal Gonsalves ging over de zware, georganiseerde misdaad, Sorgdrager zelf over het fenomeen fraude. Niettemin pleitte Sorgdrager in haar brief aan Hirsch Ballin vóór de omstreden IRT-methode, de doorlevering van drugs onder regie van politie en justitie. Dat was dus de portefeuille van Gonsalves, waar zij eigenlijk niets mee te maken had.

Zij was bezorgd. “Ik vreesde dat er krachten waren die de minister ertoe zouden brengen de methode te verbieden. Een methode die ik op zichzelf toelaatbaar vind. Ik vond gewoon dat hij het moest weten.”

Handelde Sorgdrager dus uit dienstijver? Of omdat zij wel degelijk wist dat die methode in haar eigen ressort was toegepast, zoals de commissie gisteren suggereerde. Of was er nog een andere reden? Nog meer vragen kortom.

Hirsch Ballin stelde gisteren de commissie in kennis van de fax van Sorgdrager. Het was pal voor het beruchte IRT-debat begin april vorig jaar geweest, waarin de Tweede Kamer Hirsch Ballin, en zijn ambtgenoot Van Thijn (binnenlandse zaken), ter verantwoording riep over de IRT-affaire. De oud minister schilderde zijn toestand. Geveld door rugklachten had hij thuis het rapport van de commissie-Wierenga gelezen, waarin de chaos wordt beschreven rond de IRT-affaire. Hirsch Ballin wilde consequenties trekken uit het falen van zijn organisatie. Onder druk van Lubbers en van de toenmalige vice-premier Kok bleef hij aan, zo meldde hij de enquêtecommissie.

Aanvankelijk wilde hij een einde maken aan die opsporingsmethode van de IRT's, zo bleek, maar door signalen als die van Sorgdrager liet hij zich overtuigen dat de politie daardoor minder goed in staat zou zijn de zware misdaad aan te pakken. Hoe het toch mogelijk was dat hij die volstrekt uit de hand gelopen IRT-methode wilde handhaven, vroeg de commissie.

De methode stond helemaal niet ter discussie, ten tijde van het IRT-debat, stipuleerde Hirsch Ballin gisteren. 'Wierenga' had de opdracht de verantwoordelijken aan te wijzen voor de verlammende twisten in het opsporingsapparaat. En passant haalde Hirsch Ballin zo het relaas van zijn voormalige ambtenoot en tegenvoeter Van Thijn onderuit, die eergisteren poogde de geschiedenis te herschrijven. Van Thijn deed zijn beklag over het feit dat de schuldigen vorig jaar werden gevonnist zonder dat duidelijk was gekeken naar de methode. Hirsch Ballin beklemtoonde echter dat niet de methode maar het falen van verantwoordelijke personen centraal stond.

Het is onduidelijk of Hirsch Ballin gisteren met zijn openhartigheid over het briefje van zijn ambtsopvolger het oogmerk had haar te beschadigen. Als dat zo is, lukte het in ieder geval niet. Want Sorgdrager maakte juist gebruik van haar aan de vertrouwelijkheid ontrukte schrijven om zich op een ander front te verdedigen. Eerder verklaarde de Haagse hoofdofficier van justitie Blok voor de enquêtecommissie dat hij Sorgdrager, vlak na haar aantreden in januari 1994 als Haags PG, persoonlijk op de hoogte had gesteld van de doorlevering van haarddrugs door de Haagse politie. Eén van de vragen van de commmissie was dan ook waarom Sorgdrager dat dan niet had doorgegeven aan Hirsch Ballin. Maar Sorgdrager zei gisteren dat zij zich Bloks mededeling “absoluut niet herinnert”. Hier kwam de brief aan Hirsch Ballin te pas, want daarin had ze met geen woord gerept van de cocaïnedoorvoer in Den Haag.

De minister hield daarbij ook rekening met de mogelijkheid dat haar geheugen haar in de steek laat. Dat lijkt inderdaad niet uitgesloten, vooral omdat het geheugen van Sorgdrager het ook op een ander punt liet afweten. Toen de commissie haar vroeg wie de bron was voor haar brief aan Hirsch Ballin antwoordde Sorgdrager dat dit C. Bleichrodt was geweest, raadsheer bij de Hoge Raad en lid van de commissie-Wierenga. Achteraf stuurde de minister echter een briefje naar Van Traa. Zij had zich vergist. Het was Wierenga zelf geweest.

Het blijft een raadsel waarom Sorgdrager destijds zo'n vurig pleitbezorger was van die IRT-methode. Immers, volgens haar eigen zeggen kende zij die methode alleen als bron van onheil in Amsterdam. En als studeerkamerprodukt gepresenteerd door de commissie-De Wit, die december 1993 de opdracht kreeg de vergadering van PG's te adviseren over de methode.

Overigens lijkt het erop dat haar gretigheid om die opsporingsmethode toe te passen, sterk is afgenomen sinds Sorgdrager zelf minister is. Enkele maanden geleden nog verbood zij een politiële infiltratie in het zuiden van Nederland, terwijl de Centrale Toetsingscommissie van het OM, die alle bijzondere opsporingsmethoden toetst, de actie juist uiterst zorgvuldig vond.