Sorgdrager: niet geïnformeerd over doorlevering van cocaïne

DEN HAAG, 10 NOV. Minister Sorgdrager (justitie) ontkent dat zij begin 1994 als procureur-generaal door de Haagse hoofdofficier Blok is geïnformeerd over de doorlating van enkele honderden kilo's cocaïne door de Haagse politie. Voor de parlementaire enquêtecommissie zei Sorgdrager gistermiddag dat zij zich “absoluut niet” kon herinneren dat Blok haar van de doorlevering op de hoogte had gesteld. Blok verklaarde op 2 november voor de commissie dat hij het haar had verteld.

Maar Sorgdrager verklaarde gisteren “naar eer en geweten” en “met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid” dat Blok het haar nooit had verteld. “Als ik het had geweten zou ik het zeker gemeld hebben aan de minister van justitie”, zei ze. “Dan hebben we een probleem”, constateerde voorzitter Van Traa, doelend op de twee onder ede afgelegde, tegengestelde verklaringen. “Dat hebben we zeker”, antwoordde Sorgdrager.

Begin 1994 ontstond veel commotie over doorleveringen van partijen softdrugs door het IRT Noord-Holland/Utrecht. “Ik zou het daarom zeker hebben gemeld aan minister Hirsch Ballin”, aldus Sorgdrager. De commissie zal nog uitzoeken wie precies gelijk heeft, Blok of Sorgdrager.

Sorgdrager zei gisteren verder dat het doorleveren van verdovende middelen als opsporingsmethode mogelijk moet blijven, omdat het een belangrijk wapen kan zijn in de strijd tegen de georganiseerde misdaad. Er zijn wel strikte voorwaarden aan verbonden, aldus de minister. Zo moet de 'regie' in handen blijven van politie en justitie. Dat was bij het in 1993 opgeblazen IRT niet het geval. Daar werd de politie 'gevangen' gehouden door een informant die miljoenen guldens aan criminele winsten zelf mocht houden.