Reizen om weer thuis te kunnen komen; Verhalen van duizend-en-één-nacht vertaald

De vertellingen van duizend-en-één-nacht. Vert. Richard van Leeuwen, ill. Jean-Paul Franssens. Uitg. Bulaaq/Kritak. Deel 7/8. 509 blz. Prijs (geb.) 95,-; ingen. 2 maal ƒ 39,90. Het verhaal van Ali Baba, de veertig rovers en het meisje Mardjana. Vert. Richard van Leeuwen. Uitg. Bulaaq/Kritak, 151 blz. ƒ 14,95 (gratis bij deel 7 en 8).

Zevenmaal vertrekt Sindbad de Zeevaarder vanuit Irak per schip naar het oosten. Zevenmaal heeft hij te lijden onder schipbreuken, onbekende zeeën, gevaarlijke dieren en monsters, en inheemse bevolkingen met bizarre of wrede gewoonten. En alle zevenmaal is hij flinker dan zijn reisgenoten en weet hij zich weer te redden - uiteraard met goddelijke bijstand. Na zeven reizen heeft hij er genoeg van en leeft hij nog lang en gelukkig, met de echtgenote en de enorme rijkdom die hij op zijn tochten en passant heeft opgedaan.

De cyclus over Sindbad de Zeevaarder is een van mijn favorieten uit De vertellingen van duizend-en-één nacht. Zijn avonturen staan in het achtste deel van de Nederlandse vertaling. Van de 1001 nachten zijn er nu 458 vertaald, en omdat ze zo verscheiden zijn vervelen ze nog lang niet.

Sindbad is een voorafschaduwing van de latere Hollandse zeevaarders. Hij trekt oostwaarts in het kader van de Indiëvaart, die vanuit Bagdad en de zeehaven Basra sinds de negende eeuw werd bedreven. India, Indonesië en China werden regelmatig bevaren door Arabische schepen, die beladen met specerijen, edelgesteenten en allerlei exotica terugkeerden. De Arabische scheepskapiteins vormden, althans in deze verhalen, een vroeg soort Oostindische Compagnie, waarin het idyllisch toegaat. Waar Sindbad ook aanspoelt of vastloopt, altijd komt er wel een Arabisch schip langs met een behulpzame bemanning. Soms blijkt aan boord nog koopwaar van hem te liggen. Zodra hij heeft aangetoond dat die van hem is worden de zorgvuldig bewaarde goederen hem teruggegeven en krijgt hij passage naar huis.

Tot de kostbaarheden die de Indiëvaart opleverde, behoorden ook verhalen. De notie van het mysterieuze oosten is niet uitgevonden door Europese oriëntalisten, zij bestond al eeuwen onder Arabische vertellers en werd gekoesterd door een publiek dat zich door hun verhalen zowel liet onderrichten als amuseren. Verhalen als die van Sindbad, over avonturen en over de wonderen van India, hebben de Arabieren eeuwenlang geboeid. Het blijken de voorlopers te zijn van wat Hollandse reisschrijvers in de zeventiende eeuw te vertellen hadden over hun 'wonderbaerlijcke voyagiën'.

Zeer herkenbaar is Sindbads motivering voor zijn reizen. De eerste reis onderneemt hij omdat hij bijna blut is; later, als hij allang binnen is, gaat hij uit verlangen om handel te drijven en winst te maken, maar ook om de wereld te zien, de zee te bevaren, onder kooplieden te verkeren en de wederwaardigheden van de mensen te vernemen. Hij is te ongedurig om thuis te zitten; zijn weelde verveelt hem. Eenmaal voert hij zelfs aan dat het hem zo leuk lijkt om na terugkeer zijn vrienden en geliefden en zijn land weer te zien.

Afkeurenswaardig vindt hij deze verlangens wel. Als directe drijfveer tot zijn reizen verwijst hij meermalen naar de ziel die aanzet tot het kwaad, een begrip uit de koran. Het is de zonde die hem in beweging zet, en de zee waarop hij zich moedwillig begeeft is op te vatten als de chaos, de verblijfplaats van het boze. Nog negatiever wordt geoordeeld over zijn korte excursie in de ruimte. Sindbad klimt niet op tot God, en naar het islamitische paradijs streeft hij evenmin. Hij spartelt en dobbert maar wat totdat hij ten slotte rust vindt bij zichzelf.

Is het maken van superwinsten ook afkeurenswaardig? Bij die vroege Indiëvaart was er gelijkheid tussen de handelspartners, dus uitbuiting van inlanders was niet aan de orde. Maar Sindbad blijft wat vaag over zijn inkomsten, wat misschien op schuldgevoel wijst. Een vlot dat hij eens bouwt om zich te redden blijkt onverwacht van kostbaar sandelhout te zijn; ook diamanten en andere kostbaarheden vallen hem zomaar toe. Als we hem moeten geloven is hij alleen door Gods genade rijk geworden; hij kan hij er zelf niets aan doen. Verdiend heeft hij het echter toch, volgens hemzelf: als je zoveel ellende hebt doorstaan is het billijk dat je er iets aan overhoudt.

Gelukkig geldt dat ook voor het andere personage uit deze verhalen: Sindbad de Landman, een sjouwer die een ellendig leven leidt - en wel, anders dan zijn naamgenoot, buiten zijn schuld. De zeven verhalen die de Zeevaarder vertelt zijn gevat in een raamvertelling. Het eerste tafereel van deze raamvertelling verhaalt over de arme sjouwer die enigszins verbitterd, maar uiteindelijk berustend in het standsverschil, staat uit te blazen voor het prachtige huis van de Zeevaarder. Deze haalt hem binnen, gebruikt hem als publiek voor zijn verhalen, en laat hem delen in zijn weelde: hij trakteert hem, geeft hem flinke uitkeringen en wordt zijn vriend. Zo ontlast hij zich van wat goud en wat schuldgevoel, en daarin schuilt blijkbaar de moraal. Rijkdom is goed, maar die moet wel gedeeld worden, en via de Zeevaarder verlost de barmhartige God ook de Landman uit zijn ellende.

Er is een lijn te trekken van Sindbads verhalen naar moderne horror-films. De grot vol beenderen en rottende lijken waarin Sindbad na de dood van zijn Indische vrouw wordt gesmeten, en waar hij zich in leven weet te houden met de leeftocht van de nieuw aangekomen weduwen en weduwnaars die hij doodslaat met een bot, zou overtuigend werken op het witte doek.

Sindbads ruimtereisje was niet zo geslaagd. Voor ruimtevaart en science fiction kunnen we beter terecht bij het verhaal van Boeloekia. Deze jongen uit Cairo gaat goed gemotiveerd de ruimte in: hij zoekt de profeet Mohammed. Die vindt hij niet, maar hij maakt wel een schitterende tocht door Galactica.

De geringe rol die vrouwen spelen in de reisverhalen wordt ruim gecompenseerd in het verhaal over de slavin Tawaddoed. Dit geleerde meisje, dat haar spilzieke meester had moeten verkopen, lepelt aan het hof met groot gemak een encyclopedie van islamitische wetenschap op en zet een stel baardige geleerden letterlijk in hun hemd. Als enige beloning voor dit huzarenstukje vraagt zij van de kalief dat zij wordt teruggegeven aan haar meester, die ook honderdduizend dinar in ontvangst mag nemen. Een geruststellender happy end is nauwelijks denkbaar.

Naast al dit moois is afzonderlijk het verhaal van Ali Baba uitgebracht. Dit populaire misdaadverhaal kon niet worden opgenomen in het hoofdwerk, omdat het niet tot de Arabische Duizend-en-één-nacht behoort. De Arabische Ali Baba is een negentiende-eeuwse vervalsing op basis van het achttiende-eeuwse Franse verhaal van Antoine Galland, de eerste Europese vertaler van Duizend-en-één-nacht. De Sindbad-cyclus laat zien dat het oriëntalisme al bestond bij de oude Arabieren, maar verhalen als Ali Baba en Aladdin tonen aan hoe gretig Europa het heeft overgenomen.