Psychologie (2)

Naar aanleiding van het betoog van Jaap van Heerden over de relatie tussen psychologie en literatuur het volgende. Dat veel psychologen op het ogenblik belangstelling noch waardering kunnen opbrengen voor dieptepsychologische theorieën zegt op zichzelf weinig over de waarde van zulke theorieën. Doorslaggevend voor de (wetenschappelijke) deugdelijkheid van een theorie is alleen de mate waarin zij empirisch en rationeel te verantwoorden valt.

'Empirisch' betekent daarbij niets anders dan dat een theorie aantoonbaar betrekking dient te hebben op de 'feiten', zoals die intersubjectief (maar uiteraard wel onafhankelijk van de te bewijzen theorie) zijn vast te stellen. De participanten in een wetenschappelijke discussie dienen met andere woorden te weten wat door de theorie als basisgegevens wordt erkend. Dat is nodig om zinvol met elkaar van mening te verschillen. Begrippen als bijvoorbeeld 'verliefdheid' of 'spijt' hoeven in dit opzicht geen moeilijkheden op te leveren, aangezien iedereen weet wat ermee bedoeld wordt. Dergelijke begrippen kunnen dus in principe een rol spelen in een wetenschappelijke psychologische theorie. Daarnaast zijn er nog andere criteria waaraan wetenschappelijke theorieën zouden moeten voldoen: een theorie dient bijvoorbeeld 'zinvol' te zijn. Dat het zowel met de 'zin' als met de wetenschappelijke verantwoording in de praktijk soms beter, soms minder goed gesteld is, is evident. Het getuigt evenwel van weinig zorgvuldigheid om, zoals Van Heerden doet, aan de hand van één enkel voorbeeld generaliserend te stellen dat psycho-analytische literaire tekstinterpretaties nooit (kunnen) deugen. Tenslotte: Van Heerden stelt terecht dat “zowel de literatuur als de psychologie interessante mensenkennis bevat”. Ruimer gezegd: de wetenschap en de literatuur streven beide naar een adequate en zinvolle weergave van de werkelijkheid, waarbij wetenschappelijke bevindingen over het algemeen in betogende, literaire inzichten daarentegen in beeldende vorm worden aangeboden. Welnu, dieptepsychologische theorieën bieden een geschikt instrumentarium om de beeldentaal van het literaire kunstwerk in een systeem van welomschreven begrippen onder te brengen en zo voor een rationale discussie toegankelijk te maken.