Paul Claes ontsluiert verborgen betekenissen bij Rilke

Paul Claes: Raadsels van Rilke. Een nieuwe lezing van de Neue Gedichte. Uitg. De Bezige Bij, 158 blz. Prijs ƒ 35,-.

Wonderlijk, maar waar: Rilke is populair. Er verschijnen regelmatig nieuwe uitgaven van zijn werk en hij wordt veel gelezen, vooral in kringen van theo- en antroposofen en ex-gelovigen. In Amerika is al enige tijd sprake van een kleine Rilke-cultus. Er wordt met hem gedweept, vooral door mensen die hun doel in het leven zijn kwijtgeraakt en nu een nieuwe leidsman zoeken. Zelfs zijn, zo las ik laatst in de krant, de eerste 'Rilkoholics' gesignaleerd: arme stakkers, hopeloze verslaafden, die in de Californische zon niets anders meer kunnen dan Rilke lezen.

Paul Claes is van een heel andere richting: die van het precieze lezen. In zijn Raadsels van Rilke richt hij zijn aandacht niet op de vroege stemmingslyriek en niet op de duistere metafysische onderzoekingen van de latere Rilke, maar op de bundel die ook het meest om precieze lezing vraagt: de Neue Gedichte, de 'objectieve' bundel uit zijn middenperiode, met daarin de zogenaamde Dinggedichte.

Hoe oppervlakkig die term is, hoopt Claes met zijn boek te bewijzen. Na een inleiding onder de titel 'Rilke als Sfinx' volgen 25 'ontraadselingen', analyses van evenzovele gedichten. Iedere 'ontraadseling' is een essay op zichzelf. Na de Duitse tekst en een handige prozavertaling volgt er meestal een eerste inventariserende lezing die op zich al interessant genoeg is. Claes voorziet het gedicht van achtergrond, verklaart de toespelingen, wijst op overeenkomsten met andere gedichten en brengt de problemen in kaart. Om die problemen is het hem vervolgens te doen. Veel meer dan de Rilke-exegeten voor hem ziet hij 'mysterieuze thema's, cryptische passages, enigmatische formuleringen'. Hij ziet kortom raadsels, door de 'raadsellievende' dichter opzettelijk aangebracht, en hij ziet het dus als zijn taak deze raadsels op te lossen. Zo worden al zijn essays kleine Krimi's: met een dichter die 'essentiële informatie achterhoudt', die zijn bedoelingen 'enigmatisch versluiert' en 'camoufleert' en met de lezer als 'een literaire detective'.

Iedereen die van poëzie houdt zal zich tegen zo'n rigide schema verzetten en iedereen die van de Neue Gedichte houdt, zal zich afvragen of Rilke inderdaad zo'n overbewuste maniërist was, maar het zorgt wel voor levendige, en zelfs spannende essays. Claes is intussen wel zo'n erudiete en scherpzinnige speurneus dat hij elke keer met verrassende resultaten komt. Natuurlijk is hij soms wat al te driest in zijn verlangen om onder de ene symbolische lezing weer een andere allegorische lezing te zien, maar hij ontroert mij toch ook met zijn gedrevenheid en enthousiasme. 'Waarom maakt Rilke zijn gedicht zo raadselachtig?' vraagt hij zich ergens wanhopig af, alsof hij daar zelf niet aan meedoet. 'Opnieuw kiest Rilke het juiste woord', zegt hij ergens goedkeurend, alsof het ook anders gekund zou hebben.

Het knapste is dat hij bij dit alles volstrekt helder weet te blijven: helder genoeg om hem te kunnen volgen en eventueel dus ook om af te kunnen haken. Het gaat er niet om of die zuil bij dat tuinhuis in dat zonnewijzergedicht nu inderdaad een fallus verbeeldt en die regenbui een geval van ejaculatie - of niet, of alleen toespelenderwijs. Het belangrijkste is dat Claes overtuigend aantoont dat de Rilke van de Neue Gedichte een veel bewustere en geraffineerdere dichter is dan meestal gedacht wordt. Hoe ingenieuzer het gedicht, hoe groter de bevrediging bij de lezer. Of, zoals Claes in zijn slotwoord schrijft: 'hoe langer het uitstel, hoe dieper het genot.' Maar het is de vraag of de Rilkoholics daarvoor het geduld kunnen opbrengen.