Over Boutens sprak men fluisterend

Duffe titel: 'In een liber amicorum geschreven'. Ondanks mijn vriendschap voor de poëzie van Victor E. van Vriesland las ik zijn twee sonnetten nauwelijks. Gelegenheidswerk, veronderstelde ik, en voor wie bestemd? Een dichter, dat werd duidelijk, maar waarom 's mans naam niet genoemd. Met dit onderonsje had ik niets te maken.

Vele jaren na het verschijnen van de bundel Vooronderzoek (1946) waarin de gedichten staan begon ik mij ervoor te interesseren. Zij zijn geschreven in 1939, en zij moeten de zeventigste verjaardag van P.C. Boutens, op 20 februari 1940, hebben opgeluisterd. Zo dacht ik, en toen ik het eenmaal had gedacht verdreef ik de knorrigheid uit mijn brein en liet mij bekoren. Er was nu een situatie.

Dichter van tegen de vijftig richt zich tot dichter van zeventig. Zijn hulde is een afscheid. Zijn verzen zijn een essay. Zijn essay is een autobiografie. In het begin van de Tweede Wereldoorlog denkt Van Vriesland terug aan de schoonheidsbeleving van voor de Eerste Wereldoorlog. De laatste drie regels van de zo hartelijke sonnetten vertellen, tragisch, de geschiedenis van een waardering: “Dit gouden schrift verbleekte. Woorden die/ Weleer me ontvoerden en mij leven deden,/ Zijn als een droomspook van herinnering.”

Het eerste sonnet begint gezellig: “Die reeds mijn jeugd verkwikte met zijn stem/ Heeft niet mijn rijper dag alleen gelaten.” Even later: “ 'k Weet nog de kamer waar wij samenzaten/ Toen ik als jongen luisterde naar hem.”

'Want waarlijk dichten stamt rechtstreeks van God' is de laatste regel van dit vers, heel wat minder huiselijk. Dichten is, in de poëtica van Van Vriesland of Boutens, van heel andere orde dan de dagelijkse. Er wordt gestreefd naar het 'Schouwen', een mystieke opheffing van de tragische tegenstellingen waarin de mens gedoemd is te leven. Het doel is hoog gesteld, in Van Vrieslands gedichten kan men zien hoe het niet wordt bereikt.

Van Vriesland vraagt de vriend verder te gaan met zijn werk: “Opdat ik mij terugvinde en beware/ In 't zelfde woord waarin ik mij vergeet.” Deftige taal, en de ervaring van de lezer of luisteraar is erin uitgedrukt. Hij vindt zichzelf terug, na te veel dwaling of daaglijksheid, hij bewaart het beste van zichzelf in de woorden van de ander, en dat zijn dezelfde woorden die juist maken dat hij zichzelf kwijtraakt. Zelfbevestiging en zelfverlies gaan samen. Bij het lezen van Boutens, bij het luisteren naar de dichterstem die reeds zijn jeugd verkwikte had Van Vriesland dus deze ervaring. En nam hoffelijk, met respect, met ontroering afscheid.

Dat was in 1940, in versvorm. Op 20 februari 1942 ging hij naar Den Haag om Boutens voorlaatste verjaardag te vieren, zoals hij in 1947 schreef: “Een ijskoude dag, met hoogliggende sneeuw en strenge vorst. Kolen waren er bijna niet en ook het treinverkeer was zeer bezwaarlijk geworden.” Hij herinnerde zich “de emotie, waarmee wij op die met een dik sneeuwkleed als met een sourdine verstilde dag uit zijn mond het sonnet Weer spreidt de nieuwe sneeuwval... en Meisje met Dood Vogeltje hoorden. Hoe levendig en druk bezocht konden andere verjaardagen geweest zijn ten huize van Boutens! Nu hadden de moeilijke reisgelegenheid, de snerpende koude en de drukkende bezettingsomstandigheden velen er van afgeschrikt, de grijze dichter te gaan huldigen.”

In een ander stuk schreef hij: “In mijn jeugd was het gewoonte, over Boutens' werk slechts op suggestieve fluistertoon te spreken, liefst bij kaarslicht.”

De stem van de dichter, door Van Vriesland zeker dertig jaar lang zo niet met ontroering dan toch met eerbied beluisterd. In zijn Herinneringen (1969) vertelde hij over zijn eerste bezoek:

“Het was een rare ervaring. Je stelt je als jongen bij zo'n groot dichter een soort halfgod voor, en toen zag ik daar een heel eigenaardige man, die temerig Zeeuws sprak en zijn derrière aan een kolenkachel warmde. Hij had een knalroze overhemd aan en hij ontving mij met de woorden: 'Meneer Van Vriesland, waar houdt u nou meer van, van Baudelaire of Verlaine?' ”

Zij werden beiden bestuurslid van de Vereniging van letterkundigen: “Ik heb tot aan zijn dood contact met hem gehad, op vriendschappelijke wijze collegiaal. We vergaderden in die tijd soms tweemaal, meestal eenmaal in de maand, en gingen daarna een borrel drinken, meestal in Parkzicht in Amsterdam. (-) Er zaten oude heertjes, heel zachtjes fluisterend, voorzichtig domino te spelen, op tafeltjes met groen laken erop.

“Boutens (-) was volkomen vervuld van poëzie. Hij had een vreselijk penetrante stem, en hij reciteerde graag gedichten, maar nooit van zichzelf, wel door hem gemaakte vertalingen (-) Dan zei hij: 'Die juffrouw Sappho is een verrukkelijke juffrouw.' (-) 'Kent u dit: 'De maan is onder - En de Pleiaden - Rond middernacht is 't - Voorbij gaat de ure - En ik, eenzaam slaap ik.'

“En dan sloeg hij zich, terwijl hij dit zei, met zijn vuisten op zijn borst en de tranen stroomden over zijn wangen. De hele zaal zat een beetje schuchter en schichtig te kijken naar die schreeuwende man daar.”

Boutens had twee monden, Van Vriesland twee stel oren.